|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/1418 WAZ en 02/1468 WAZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het Uwv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 17 mei 2000 heeft het Uwv geweigerd om betrokkene in
aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat
hij op en na 30 december 1998 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 25 januari 2001 heeft het Uwv het namens betrokkene door
mr. C.F.M. van den Ekart, werkzaam bij het Bureau voor Rechtshulp
Zuid-Holland Zuid, gevestigd te Dordrecht, tegen het besluit van 17 mei
2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 25 januari 2002, reg.nr.
AWB 01/286, het namens betrokkene tegen het besluit van 25 januari 2001
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald
dat het Uwv een nieuw besluit neemt, met inachtneming van hetgeen in die
uitspraak is overwogen. Tevens heeft de rechtbank aanvullende
beslissingen gegeven inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Namens betrokkene is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Ook het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. De gronden van dat hoger
beroep zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 16 juni 2004, voorzien van bijlagen, heeft de gemachtigde
van betrokkene zowel de gronden van het hoger beroep als van het verweer
(nader) aangevuld. Het Uwv heeft daarop een reactie gegeven bij brief
van 23 juni 2004.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 juni 2004, waar
betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Ekart,
en waar namens het Uwv met voorafgaand bericht niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Betrokkene, die samen met zijn echtgenote een café annex
petit-restaurant heeft geëxploiteerd - de zaak is in april 1998
verkocht - heeft in december 1999 bij het Uwv een aanvraag ingediend
voor een uitkering ingevolge de WAZ, in verband met een door hem
gestelde, sedert (arbitrair) 1 januari 1998 bestaande,
arbeidsongeschiktheid als gevolg van diverse lichamelijke klachten.
De verzekeringsarts van het Uwv heeft een onderzoek ingesteld en is
daarbij tot de conclusie gekomen dat er voor betrokkene verschillende
beperkingen vallen aan te geven. Daarbij heeft de verzekeringsarts, mede
gelet op van de huisarts van betrokkene verkregen informatie, de eerste
dag van arbeidsongeschiktheid van betrokkene bepaald op 1 maart 1998.
De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft geoordeeld dat betrokkene,
gegeven de door de verzekeringsarts in aanmerking genomen beperkingen,
niet langer geschikt is te achten voor de eigen (vroegere) werkzaamheden
als zelfstandige, maar nog wel in staat is tot het verrichten van de
werkzaamheden die behoren bij de op basis van raadpleging van het
Functie Informatie Systeem geselecteerde loondienstfuncties. Hij heeft
vervolgens het maatmaninkomen van betrokkene vastgesteld aan de hand van
de bedrijfswinst over de jaren 1997, 1995 en 1994, waarbij het jaar 1996
buiten aanmerking is gelaten vanwege een in dat jaar - als gevolg van
bestratingswerkzaamheden - gerealiseerde lage winst. Voorts is hij, wat
betreft de winstverdeling tussen betrokkene en diens echtgenote,
uitgegaan van een verdeelsleutel van 3:2. Het aldus gevonden aan
betrokkene toe te rekenen winstdeel op jaarbasis is daarna omgerekend
naar een maatgevend inkomen per uur, waarbij ervan is uitgegaan dat
betrokkene per jaar 52 weken werkzaam was en per week 60 uur. De
arbeidsdeskundige heeft, het op vorenomschreven wijze op f 8,59 bruto
per uur berekende maatmaninkomen afzettend tegen een resterende
verdiencapaciteit van f 12,82 per uur, geconcludeerd dat er geen sprake
is van enig verlies aan verdienvermogen.
Het Uwv heeft bij het primaire besluit van 17 mei 2000 de gevraagde
WAZ-uitkering geweigerd op de grond dat betrokkene na ommekomst van de
wettelijke wachttijd van
52 weken, op en na 30 december 1998, minder dan 25% arbeidsongeschikt
is.
Van de zijde van betrokkene zijn in bezwaar verschillende grieven tegen
dat besluit naar voren gebracht. Hij meent in de eerste plaats dat zijn
beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Hij acht zichzelf zodanig
beperkt dat hij niet in staat is zijn resterende mogelijkheden nog op
een als duurzaam te omschrijven wijze te benutten. Voorts meent
betrokkene dat zijn maatmaninkomen onjuist is berekend, in welk verband
hij naar voren heeft gebracht dat het Uwv ook het jaar 1993 - waarin hij
een aanmerkelijk hoger inkomen heeft gerealiseerd - in de beoordeling
had dienen te betrekken, dat ten onrechte is uitgegaan van 52 werkweken
per jaar in plaats van 48 werkweken, dat ten onrechte is uitgegaan van
60 werkuren per week in plaats van 45 uren, dat de gebruikte
verdeelsleutel van 3:2, zoals toegepast bij de verdeling van de winst
tussen hem en zijn echtgenote, niet juist is en dat voor wat betreft het
jaar 1997 is uitgegaan van een foutief winstbedrag. Ten slotte heeft
betrokkene gesteld dat de bij de schatting gebruikte functies gezien
zijn opleiding en leeftijd niet voor hem geschikt zijn te achten.
De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien om de
bevindingen en conclusies van de primaire verzekeringsarts niet juist te
achten.
De bezwaararbeidsdeskundige heeft, in hoofdlijnen weergegeven, de
grieven van betrokkene deels verworpen en daarnaast aangegeven dat
indien de overige grieven zouden worden gevolgd, zulks niet tot een voor
de toepassing van de WAZ relevant te achten verschil in uitkomst leidt,
in die zin dat het resultaat van de schatting minder dan 25%
arbeidsongeschikt blijft.
Bij het bestreden besluit is vervolgens het bezwaar ongegrond verklaard.
In beroep heeft betrokkene, onder meezending van zijn aanvullend
bezwaarschrift, zijn hiervoor weergegeven bezwaren gehandhaafd.
De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat het Uwv bij zijn
besluitvorming in strijd met het door hem gevoerde beleid de datum 1
januari 1998 als eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft gehanteerd.
Uitgangspunt van dat beleid zou namelijk zijn dat in beginsel de opgave
van de betrokkene wordt gevolgd - in casu 1 januari 1998 - maar dat in
gevallen waarin de verzekeringsarts in zijn rapport een andere datum als
eerste dag van arbeidsongeschiktheid aanneemt - zoals in het onderhavige
geval is gebeurd nu de verzekeringsarts het intreden van de
arbeidsongeschiktheid heeft bepaald op 1 maart 1998 - in principe van
die andere datum wordt uitgegaan. Nu evenwel, aldus de rechtbank, niet
is gebleken dat betrokkene door de handelwijze van het Uwv is benadeeld,
is er geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
In de tweede plaats heeft de rechtbank overwogen dat ten aanzien van de
grondslag van de uitkering van betrokkene is gebleken dat het Uwv is
uitgegaan van de winst in drie aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid voorafgegane boekjaren, waarbij het jaar 1996
buiten beschouwing is gelaten. Hoewel deze maatstaf ten behoeve van de
grondslagvaststelling is terug te voeren op jurisprudentie, stelt de
rechtbank vast dat die jurisprudentie is gebaseerd op de
grondslagvaststelling van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
De WAZ kent echter, aldus de rechtbank, in artikel 8 een andere regeling
ten behoeve van het vaststellen van de voor de grondslag van de
WAZ-uitkering in aanmerking te nemen winst. Gebleken is dat het Uwv die
regeling in het onderhavige geval niet heeft toegepast. Reeds om die
reden bestaat er, aldus de rechtbank, aanleiding voor vernietiging van
het bestreden besluit. De rechtbank heeft daaraan nog toegevoegd dat
niet meer wordt toegekomen aan een bespreking van de door betrokkene
aangevoerde gronden.
Het hoger beroep van betrokkene, zoals de gronden daarvan zijn
uiteengezet bij het aanvullend beroepschrift van 26 april 2002, heeft
betrekking op het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank inzake
de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Aangevoerd is dat de rechtbank
heeft aangegeven dat de verzekeringsarts in afwijking van het beleid is
uitgegaan van 1 maart 1998 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, terwijl
betrokkene 1 januari 1998 heeft opgegeven, maar dat hij daardoor niet
zou zijn benadeeld. Betrokkene is van oordeel dat de juiste vaststelling
van zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag wel relevant is voor de
beoordeling van zijn aanspraken op een WAZ-uitkering en is derhalve van
mening dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is en op dit punt dient
te worden gecorrigeerd. Daarnaast heeft betrokkene te kennen gegeven van
mening te zijn dat de rechtbank ten onrechte de overige aangevoerde
gronden niet heeft behandeld, als gevolg waarvan het Uwv onvoldoende
aanwijzingen heeft voor het nemen van een nieuw besluit.
Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen de hiervoor weergegeven
overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank met
betrekking tot de grondslagvaststelling. In essentie is aangevoerd dat
het erop lijkt dat de rechtbank hier de begrippen “grondslag” en
“maatmaninkomen” heeft verward.
De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt.
Inderdaad heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak de begrippen
grondslag en maatmaninkomen door elkaar gehaald. Anders dan de rechtbank
meent bevat artikel 8 van de WAZ geen voorschriften met betrekking tot
de wijze waarop het maatmaninkomen dient te worden berekend, maar
uitsluitend met betrekking tot de grondslag waarnaar de uitkering dient
te worden berekend. De Raad voegt daaraan nog toe dat, naar hij vaker
heeft overwogen, er geen aanleiding bestaat om in het kader van de WAZ
de vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige anders te
benaderen dan in het kader van de AAW. Hiermee is tevens gegeven dat de
rechtspraak zoals die in het kader van artikel 5 van de AAW is gevormd
inzake de wijze van vaststelling van het maatmaninkomen van een
zelfstandige, evenzeer nog relevant is te achten voor de vaststelling
van het maatmaninkomen van een zelfstandige in het kader van artikel 2
van de WAZ.
De Raad stelt aldus vast dat de rechtbank het bestreden besluit op
onjuiste gronden heeft vernietigd. Ten onrechte is de rechtbank niet
toegekomen aan een beoordeling van de namens betrokkene naar voren
gebrachte grieven van medische en arbeidskundige aard, zoals hiervoor
weergegeven. Mede gelet op de dienaangaande - desverzocht - namens
betrokkene ter zitting uitgesproken voorkeur - in het bijzonder
ingegeven door de wens bij de beoordeling van al zijn tegen het
bestreden besluit levende bezwaren geen rechterlijke instantie te
verliezen - ziet de Raad aanleiding om de zaak met toepassing van
artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te
wijzen naar de rechtbank Dordrecht.
Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene inzake de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag overweegt de Raad als volgt. Van de zijde van
betrokkene is ter zitting erkend dat de door de rechtbank in de
aangevallen uitspraak besproken kwestie of, in het licht van het door
het Uwv gevoerde beleid, bij de bepaling van de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag kan worden afgegaan op de eigen opgave van een
betrokkene, dan wel of dient te worden uitgegaan van een daarvan
afwijkend oordeel van de verzekeringsarts - in het onderhavige geval
neerkomend op de keuze tussen
1 januari 1998 en 1 maart 1998 als de te hanteren eerste
arbeidsongeschiktheidsdag - voor de beoordeling van zijn aanspraken op
een uitkering - inderdaad - minder relevant is te achten. Expliciet is
namens betrokkene aangegeven dat, waar het uitsluitend zou gaan om de
keuze tussen evenvermelde beide datums, hij wel kan leven met 1 januari
1998 zoals in het bestreden besluit tot uitgangspunt is genomen en ook
door de rechtbank is aanvaard, althans in die zin dat de rechtbank aan
de keuze van die datum, hoewel naar het oordeel van de rechtbank
beleidsmatig onjuist, geen gevolgen heeft verbonden voor de houdbaarheid
van het bestreden besluit.
Vastgesteld moet aldus worden dat betrokkene geen belang heeft bij een
beoordeling van de namens hem in hoger beroep aangevoerde grief, welke
grief overigens, zo wil de Raad niet nalaten daaraan toe te voegen,
blijkens hetgeen bij het aanvullend beroepschrift van 26 april 2002
alsmede bij het verweerschrift van 7 mei 2002 naar voren is gebracht,
lijkt te berusten op een verkeerde lezing van de desbetreffende
overwegingen in de aangevallen uitspraak.
De Raad merkt in dit verband voorts nog het volgende op. Naderhand, bij
schrijven van 16 juni 2004, waarin de gronden van zowel het hoger beroep
als het verweer nader zijn aangevuld als ook ter zitting van de Raad, is
namens betrokkene de stelling naar voren gebracht dat hij bij nader
inzien - in afwijking van de eigen oorspronkelijke opgave - van oordeel
is dat zijn arbeidsongeschiktheid aanzienlijk eerder is ingetreden dan
eerst per 1 januari 1998 en dat hij na het ontstaan van zijn klachten en
beperkingen nog geruime tijd zo goed en zo kwaad als dat ging heeft
doorgewerkt alvorens definitief te stoppen in 1998. De Raad acht het in
de rede te liggen dat de rechtbank deze nadere opvatting van betrokkene
meeneemt in haar beoordeling.
De Raad komt evenmin toe aan een beoordeling van de grief van betrokkene
dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de overige namens hem
ingediende bezwaren tegen het bestreden besluit. Nu de zaak wordt
teruggewezen naar de rechtbank, is ook het belang aan een beoordeling
van deze grief komen te ontvallen.
Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het geding terug naar de rechtbank Dordrecht.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus
2004.
(get.) J.W.
Schuttel.
(get.)
M.H.A. Jenniskens.
|
|