|
Uitspraak
02/3773
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep
gekomen van een door de rechtbank Zwolle op 14 juni 2002 tussen partijen
gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/107 WAZ L S), waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 12 november 2002 (met bijlage) heeft M.G. van der Linde-de
Jager, werkzaam bij de Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie (ANGO)
te Amersfoort, zich als gemachtigde van appellant gesteld. Bij brief van
30 oktober 2003 (met bijlagen) heeft Van der Linde-de Jager namens
appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Op deze brief en de bijbehorende bijlagen heeft gedaagde bij brief van 9
maart 2004 (met bijlagen) gereageerd.
Gedaagde heeft bij brief van 30 maart 2004 (met bijlagen) een aantal van
de zijde van de Raad gestelde vragen beantwoord.
Namens appellant heeft zijn opvolgend gemachtigde, M.J.M.
Gorter-Hogenbirk, eveneens werkzaam bij de ANGO, bij brief van 1 april
2004 nadere stukken ingezonden. Op deze stukken heeft gedaagde bij brief
van 17 juni 2004 gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 juli
2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als zeevisser in
maatschapsverband in combinatie met werkzaamheden als zelfstandig
rijschoolhouder. Op 24 mei 1999 is appellant voor de desbetreffende
werkzaamheden uitgevallen wegens letsel in verband met een motorongeval.
In aansluiting op de doorlopen wachttijd van 52 weken heeft gedaagde aan
appellant met ingang van 22 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De verzekeringsarts E.M.C. Kirch-van Straaten heeft appellant op 3 april
2001 onderzocht en op dezelfde datum een rapport uitgebracht. Hierin is
vermeld dat appellant pijnklachten heeft aan de rechterschouder en dat
als diagnose kan worden gesteld een somatoforme pijnstoornis. De voor
appellant vastgestelde medische beperkingen zijn door Kirch-van Straaten
vastgelegd in een belastbaarheidspatroon. De arbeidsdeskundige C.H.
Ouwerkerk-Wijnstroot heeft aan de hand van dit belastbaarheidspatroon
functies voor appellant geselecteerd en, blijkens haar rapport van 28
mei 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 25 tot 35%. Bij
besluit van 4 juni 2001 heeft gedaagde de WAZ-uitkering van appellant
met ingang van 29 juli 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Naar aanleiding van het namens appellant tegen dit besluit gemaakte
bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts E.M.J. Schoonderwoerd appellant op
24 oktober 2001 gezien en op dezelfde datum een rapport uitgebracht.
Hierin is onder meer vermeld dat sprake is van een somatoforme
pijnstoornis met klachten aan de nek rechts, de rechterschouder, de
rechterarm en het rechterbeen, en daarnaast van cervicobrachialgie en
ischialgie alsmede van malingering. Volgens Schoonderwoerd is in de
primaire besluitvormingsfase in ruim voldoende mate rekening gehouden
met de klachten van appellante. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige
Ouwerkerk-Wijnstroot op 29 november 2001 een rapport uitgebracht, waarin
is vermeld dat het maatmaninkomen hoger moet worden vastgesteld en dat
in verband hiermee de mate van arbeidsongeschiktheid op 55 tot 65% moet
worden gesteld. Bij besluit van 13 december 2001 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant in zoverre gegrond
verklaard dat de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 29 juli 2001
wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen
aanleiding is om het voor appellant vastgestelde belastbaarheidspatroon
voor onjuist te houden. In dit verband heeft de rechtbank er onder meer
op gewezen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij het
vaststellen van de medische beperkingen van appellant de beschikking
hebben gehad over medische gegevens uit de behandelend sector. Voorts
heeft de rechtbank overwogen dat de aan appellant voorgehouden functies
als passend kunnen worden aangemerkt en dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant door gedaagde terecht op 63,66% is
gesteld.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn
medische beperkingen door gedaagde zijn onderschat. Hierbij heeft
appellant, onder verwijzing naar een aantal ingebrachte stukken, naar
voren gebracht dat hij naast schouderklachten ook pijnklachten heeft aan
zijn rug en rechterbeen, dat deze klachten progressief zijn en dat hij
ten gevolge van zijn medische beperkingen niet in staat was de hem
voorgehouden functies te vervullen.
Volgens gedaagde geeft hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen
aanleiding om aan te nemen dat de medische beperkingen van appellant op
de datum in geding, 29 juli 2001, zijn onderschat. Hierbij heeft gedaagde erop gewezen dat
bij een nieuw medisch onderzoek in oktober 2002 toegenomen medische
beperkingen zijn aangenomen ten gevolge van een verslechtering van de
medische situatie van appellant. Voorts heeft gedaagde - naar aanleiding
van vanwege de Raad gestelde vragen - aangegeven dat de onderhavige
schatting alleen kan worden gebaseerd op de volgende functies:
medewerker import/export en administratief medewerker expeditie en
bevrachting (beide fb-code 3912), assemblagemedewerker (fb-code 8463),
medewerker klachtenontvangst (fb-code 3807) en administratief medewerker B (fb-code 3931).Volgens
gedaagde blijft op basis van deze functies de voor appellant op 29 juli
2001 geldende mate van arbeidsongeschiktheid evenwel 55 tot 65%. Ter
zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde een nadere
onderbouwing gegeven van de berekening die tot indeling in deze
arbeidsongeschiktheidsklasse heeft geleid.
De Raad overweegt als volgt.
Het is voor de Raad niet komen vast te staan dat in het
belastbaarheidspatroon dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit,
een onjuiste weergave is gegeven van de voor appellant op 29 juli 2001
geldende medische beperkingen. In dit verband overweegt de Raad dat de
gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat
de verslechterde medische toestand, zoals die wordt beschreven in het
rapport van verzekeringsarts Kirch-van Straaten van 1 oktober 2002,
reeds op 29 juli 2001 aanwezig was. De uiteindelijk aan appellant
voorgehouden functies kunnen, mede gelet op de toelichting op de
zogeheten markeringen die is gegeven in het rapport van verzekeringsarts
Kirch-van Straaten van 30 mei 2001, als passend worden aangemerkt.
Voorts is de Raad met gedaagde van oordeel dat op basis van de aan de
schatting ten grondslag liggende functies de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant op 29 juli 2001 op 55 tot 65% moet worden gesteld.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van
mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 1 september 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|