|
Uitspraak
02/4837
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 11 juli 2000 is vanwege gedaagde aan appellant kennis
gegeven van een besluit waarbij zijn aanvraag om uitkering ingevolge de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is afgewezen,
omdat hij op en
na 2 mei 2000, na afloop van de zogeheten wachttijd van 52 weken, voor
minder dan 25% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
Het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24
augustus 2001(hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 2 augustus 2002 (reg.nr.
01/866 WAZ) het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is bij gemachtigde mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG
Rechtsbijstand te Leusden, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden. Daarbij is onder meer
overgelegd een rapport van 6 februari 2002 van prof. dr. R.J. van den
Bosch, psychiater te Groningen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog een
commentaar van
een verzekeringsarts op voormeld rapport ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 juli 2004, waar
appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden
verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
In dit geding is aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft besloten
om aan appellant met ingang van 2 mei 2000 geen uitkering ingevolge de
WAZ toe te kennen.
De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord en haar oordeel met name gebaseerd op de bevindingen van de
betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde
overwegingen.
De Raad ziet in het in hoger beroep overgelegde rapport van 6 februari
2002 van psychiater Van den Bosch voornoemd geen reden voor een
andersluidend oordeel. Uit dit rapport valt af te leiden dat appellant
eerst na de onderhavige verzekeringsgeneeskundige keuring psychische
klachten is gaan ontwikkelen, die door deze specialist als een sociale
fobie zijn gediagnosticeerd. Daaruit vloeien beperkingen voort, doordat
appellant sensitieve en angstige reacties vertoont in sociale contacten
met voor hem onbekenden. De psychiater is het echter ermee eens dat
appellant slechts een lichte beperking bij werken onder tijdsdruk kent,
zij het dat dit met name gaat om sociale interactie met onbekenden. De
bezwaarverzekeringsarts N. Visser heeft in een nader commentaar van 22
april 2004, onder verwijzing naar een arbeidskundig rapport van 24 juli
2001, uiteengezet dat zich bij de geselecteerde functies geen
groepsprocessen afspelen en dat daarin dus de specifieke gevoeligheid
van appellant wordt ontzien. De Raad acht met dit commentaar voldoende
aannemelijk gemaakt dat hier dan ook geen sprake is van een beletsel om
de geselecteerde functies te vervullen.
Met betrekking tot de door appellant gestelde beperkingen ten aanzien
van het gebruik van de nek en de handen overweegt de Raad dat de
mogelijke beperkingen als gevolg van artrose in de handen blijkens de
gedingstukken dateren van na de datum in geding, zodat die bij de
onderhavige beoordeling geen rol kunnen spelen. Voorzover appellant al
beperkingen bij het gebruik van de nek ondervindt, kunnen die niet
leiden tot vernietiging van het bestreden besluit nu, ook als die
beperkingen in aanmerking worden genomen, nog voldoende voor appellant
geschikte functies overblijven om de onderhavige schatting op te
baseren.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van
mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 1 september 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|