|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/6191 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 17 april 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat hij na afloop
van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 1 maart 1999 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Namens appellant heeft mr. A. Bijlsma, werkzaam bij de Stichting
Rechtsbijstand te Zwolle, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 22 november 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 1 november 2002, nr. AWB
01/6 WAZ, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. Bijlsma, voornoemd, op bij aanvullend
beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is medische informatie overgelegd.
Gedaagde heeft vervolgens daarop gereageerd.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.
Vervolgens heeft gedaagde opnieuw nadere stukken overgelegd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 27 juli 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar
oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij het
bestreden besluit is appellant met ingang van 1 maart 1999 een uitkering
ingevolge de WAZ geweigerd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat er onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de
beoordeling door gedaagde van de belastbaarheid van appellant op 1 maart
1999 en dat appellant op die datum in staat moest worden geacht arbeid
te verrichten die qua belasting in overeenstemming is met de voor hem
vastgestelde medische beperkingen. De in het kader van het arbeidskundig
onderzoek geduide functies zijn volgens de rechtbank als zodanig aan te
merken en deze zijn ook overigens te beschouwen als algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe appellant met zijn krachten en bekwaamheden
in staat is.
In hoger beroep heeft appellant grieven tegen de medische grondslag van
het bestreden besluit aangevoerd. De Raad ziet deze grieven niet slagen.
Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de
bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans in zijn rapport van 2 oktober
2000 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellant, zoals in de
primaire fase opgesteld door de verzekeringsarts L. Andriessen, geen juiste weergave vormt van de bij hem ten tijde hier
in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat de
verzekeringsarts Andriessen bij het vaststellen van het
belastbaarheidspatroon van appellant rekening heeft gehouden met de
expertise die de orthopedisch chirurg dr. M. de Kleuver op 23 september
1999 heeft uitgebracht en in het belastbaarheidspatroon ook beperkingen
voor het gebruik van de schouders, vooral rechts, heeft opgenomen.
In hoger beroep is namens appellant overgelegd een rapportage van de
orthopedisch chirurg dr. M.C. de Waal Malefijt van 7 februari 2003,
waarin deze aanvullende informatie geeft naar aanleiding van zijn bij
appellant op 15 mei 2001 verrichte expertise. De Raad ziet hierin
evenwel, mede in aanmerking genomen de reactie daarop van de
bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus, zoals vervat in zijn rapport van 5
juni 2003, geen aanknopingspunten appellant nog meer of anders beperkt
te achten dan door gedaagdes verzekeringsartsen is aangenomen. De Raad
overweegt dat dr. De Waal Malefijt zich voor wat betreft de medische
beperkingen van appellant op de in geding zijnde datum baseert op de
eerdergenoemde expertise van dr. De Kleuver en dat de diagnose in zijn
rapport van 7 juni 2001 naar eigen zeggen in grote lijnen overeenkwam
met die van dr. De Kleuver, zoals neergelegd in diens rapport van 23
september 1999.
Aldus uitgaande van de juistheid van de door gedaagde aangenomen
beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is
de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de
door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden
functies niet zou kunnen verrichten.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het
bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van J.W.
Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september
2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|