|
Uitspraak
02/2263 WAZ,
02/2264 WAZ en 02/2265 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen van een uitspraak van de rechtbank Breda van 26
februari 2002 (kenmerk 00/1028, 00/1814 en 01/933 WAZ) waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 18 juni 2002, ingediend,
aangevuld bij brief van 5 juli 2004 (met later nagezonden bijlagen).
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juli
2004. Appellant is in persoon verschenen. Voor gedaagde is verschenen
A.J.J.A.M. Spapens, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren in 1942, was reeds jarenlang werkzaam als
directeur-grootaandeelhouder van het poeliersbedrijf [naam bedrijf] toen
hij op 2 oktober 1998 met acute hartklachten volledig uitviel voor zijn
werkzaamheden.
Bij besluit van 1 mei 2000 (hierna: besluit I) heeft gedaagde ongegrond
verklaard appellants bezwaar tegen zijn besluit van 10 januari 2000 tot
toekenning van een voorschot per 1 oktober 1999 op de door appellant
aangevraagde uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
Bij besluit van 13 september 2000 (hierna: besluit II) heeft gedaagde
ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen zijn besluit van 28
februari 2000 tot weigering aan appellant van een WAZ-uitkering per 1
oktober 1999, onder overweging dat appellant per die datum minder dan
25% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 19 april 2001 (hierna: besluit III) heeft gedaagde
ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen zijn besluit van 2 november
2000 tot terugvordering van in totaal f 8.414,53 (f 6.759,28 netto plus
f 1.655,25 aan inmiddels aan de fiscus afgedragen loonheffing) wegens
onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering over de periode van 1 oktober 1999
tot en met 29 februari 2000.
Bij uitspraak van 26 februari 2002 heeft de rechtbank Breda ongegrond
verklaard de door appellant tegen de evenvermelde besluiten op bezwaar
ingestelde beroepen.
Wat besluit I betreft heeft de rechtbank overwogen dat het besluit tot
bevoorschotting niet kan worden aangemerkt als een besluit tot
toekenning van de gevraagde WAZ-uitkering, immers, de medische en
arbeidskundige beoordeling dienden toen nog plaats te vinden en aan het
feit dat die beoordeling niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft
plaatsgevonden, kan geen toekenning van zo’n uitkering van rechtswege
worden ontleend. Voorts heeft de bevoorschotting plaatsgevonden in
overeenstemming met het daarvoor geldende beleid en is er geen sprake
van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot afwijking van dat
beleid.
Wat besluit II betreft heeft de rechtbank overwogen dat de weigering om
de gevraagde WAZ-uitkering toe te kennen is gebaseerd op zorgvuldig
onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts alsook de
(bezwaar)arbeidsdeskundige
en zijn de aan appellant - als qua opleidingsniveau en qua aantal
arbeidsplaatsen passende en in billijkheid op te dragen arbeid -
voorgehouden functies in overeenstemming met het door de
bezwaarverzekeringsarts in de bezwaarfase op één aspect (te weten: 25)
bijgestelde belastbaarheidspatroon met als uitkomst een verlies aan
verdiencapaciteit van 1,31%.
Wat besluit III betreft heeft de rechtbank overwogen dat - gelet op haar
oordeel ten aanzien van besluit II - er sprake is van onverschuldigde
betaling, dat terugvordering verplicht is, dat niet is gebleken van
dringende redenen om van terugvordering af te zien, dat met
terugvordering niet behoefde te worden gewacht totdat de besluiten I en
II onherroepelijk zouden zijn, dat appellant geen gebruik heeft gemaakt
van de hem geboden gelegenheid een voorstel tot terugbetaling te doen,
dat bij het vaststellen van het aantal termijnen en de hoogte van de
termijnbedragen de voor terugbetaling en verrekening geldende
voorschriften in acht zijn genomen en dat bij gebrek aan inzicht in
appellants financiële situatie niet is kunnen blijken dat appellants
aflossingscapaciteit is overschat.
In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde grieven
herhaald. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op het
gelijkheidsbeginsel in die zin dat hij meent aanspraak te hebben op de
(in zijn ogen onjuiste) wijze waarop in de loop der voorbije jaren
vanwege de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische
Bedrijven (als rechtsvoorganger van gedaagde) is omgegaan met
medewerkers van zijn bedrijf die zich ziek hadden gemeld.
Tevens heeft appellant gesteld dat het resultaat van de medische
beoordeling (40% arbeidsongeschiktheid) een zelfstandig en voor beroep
vatbaar besluit is dat losstaat van de arbeidskundige beoordeling die
niet juist kan zijn, omdat die leidt tot een mate van
arbeidsongeschiktheid van slechts 1,31%.
Ook is het maatmaninkomen berekend op basis van de door hem over de
jaren 1995, 1996 en 1997 aan de fiscus verstrekte financiële gegevens,
terwijl de hem voorgehouden functies met de daaraan verbonden uurlonen
betrekking hebben op het jaar 2000, welk verschil aan een rechtstreekse
vergelijking in de weg staat.
Evenzeer is appellant van mening dat het besluit tot terugvordering
onzorgvuldig is totstandgekomen, omdat daarbij is gesproken van een
zwangerschapsuitkering.
Tot slot heeft appellant aangevoerd dat, aangezien zijn arbeidsinkomen
als gevolg van het staken van zijn bedrijf vanaf juli 2001 nihil is, hij
niet kan voldoen aan de hem opgelegde terugbetalingsverplichting. In dit
verband heeft appellant nog naar voren gebracht dat hij met het oog op
het staken van zijn bedrijf een nieuwe WAZ-aanvraag heeft ingediend,
waarop nog steeds geen beslissing is genomen en in verband waarmee hij
maximalisering van zijn maatmaninkomen claimt.
De Raad overweegt het volgende.
In hoger beroep ligt ter beantwoording voor de vraag of bij de
aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden is beslist tot
instandlating van de bestreden besluiten I, II en III.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hetgeen appellant in hoger
beroep heeft aangevoerd is in essentie grotendeels een herhaling van
hetgeen hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht en door de
rechtbank is verworpen. Daarin heeft de Raad geen aanleiding gevonden om
tot een andersluidend oordeel te komen. Met betrekking tot hetgeen
appellant overigens nog heeft aangevoerd, overweegt de Raad het
volgende.
Het beroep van appellant - naar het zich de Raad laat aanzien, gedaan
met betrekking tot besluit II - op het gelijkheidsbeginsel moet falen,
reeds omdat het in zeer algemene bewoordingen is gesteld en niet met
concrete, controleerbare gegevens is onderbouwd. Afgezien daarvan kan
dat beroep ook niet slagen, omdat het in die door appellant bedoelde
gevallen niet gaat om toepassing van de WAZ en evenmin om besluiten die
anderszins met het thans aan de orde zijnde besluit II op één lijn
kunnen worden gesteld.
Anders dan appellant meent, leidt het resultaat van de medische
beoordeling niet tot een zelfstandig besluit waartegen in rechte kan
worden opgekomen. De WAZ noch de geschiedenis van de totstandkoming
daarvan biedt voor appellants mening enig aanknopingspunt. Wat het door
appellant genoemde arbeidsongeschiktheidspercentage van 40 betreft merkt
de Raad op dat dat afkomstig is uit het rapport van de arbeidsdeskundige
A.A.R. Frietman van 15 februari 2000 waarin is geconcludeerd dat
appellants praktische restverdiencapaciteit 40% bedraagt (onderzoek in
appellants bedrijf heeft opgeleverd dat appellant in zijn eigen bedrijf
in passend werk nog een prestatie kan leveren van circa 60% ten opzichte
van zijn oorspronkelijke arbeid). Bepalend is evenwel appellants
theoretische restverdiencapaciteit, welke door Frietman aan de hand van
de aan hem voorgehouden functies op 1,31% is gesteld. Dit percentage is
dermate laag dat, hoe ook gerekend en/of geredeneerd, per de datum in
geding ( 1 oktober 1999), niet (zelfs niet bij benadering) het in het
kader van de thans van toepassing zijnde WAZ geldende minimale
percentage van 25 wordt bereikt, zodat die exercitie reeds daarom
achterwege kan worden gelaten.
Ter zitting heeft appellant in dit verband als grief nog opgeworpen dat
hij als (ten tijde van de datum in geding nog) zelfstandige wordt
achtergesteld bij degenen op wie de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van toepassing is en voor wie
een percentage van minimaal 15 geldt. Deze grief moet falen, nu het de
(formele) wetgever is geweest die deze percentages als minimum zonder
uitzonderingsmogelijkheid heeft vastgesteld, het de Raad evenmin als
gedaagde en de rechtbank vrij staat de innerlijke waarde van de WAZ te
beoordelen en er geen regeling van hogere orde aanwijsbaar is die een
aanknopingspunt biedt om van dat wettelijke minimum af te wijken, nog
daargelaten of in het thans aanhangige geval de grens van minimaal 15%
zou worden overschreden.
Wat de zwangerschapsuitkering betreft is er sprake van een misverstand
aan de kant van gedaagde in diens brief van
2 november 2000 bij het primaire terugvorderingsbesluit dat, omdat het
reeds in een eerder stadium van de procedure is opgehelderd, geen
verdere bespreking behoeft.
Het staken door appellant van zijn werkzaamheden en/of zijn bedrijf
heeft, zoals appellant heeft gesteld, plaatsgevonden vanaf juli 2001.
Aangezien die datum ligt ná de datum thans in geding, kon daarmee
sowieso geen rekening worden gehouden bij het nemen van de besluiten I
en II. Bij het nemen van besluit III betreffende de terugvordering kon
daarmee geen rekening worden gehouden omdat dat dateert van vóór die
staking en gedaagde toen geen gegevens bekend waren of konden en moesten
zijn op grond waarvan was te voorzien dat die staking op afzienbare
(korte) termijn zou plaatsvinden. Hierbij tekent de Raad nog aan dat
appellant er om hem moverende redenen niet toe is overgegaan aan
gedaagde de financiële gegevens te verstrekken die nodig zijn om te
kunnen beoordelen of er sprake is van een dringende reden op grond
waarvan moet worden aangenomen dat appellant niet dan wel verminderd in
staat is om aan zijn terugbetalingsverplichting te voldoen. Niet valt
dan ook in te zien dat op dit punt aan gedaagde een verwijt valt te
maken.
De door appellant naar zijn zeggen opnieuw ingediende aanvraag om een
WAZ-uitkering (ter zitting is evenwel naar voren gekomen dat appellant
het hem toegezonden aanvraagformulier niet heeft ingezonden) is in het
thans aanhangige geding niet aan de orde en dient hier dus buiten
beschouwing te blijven.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen.
Aangezien voorts geen aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en prof. mr. J.B.J.M. ten Berge als leden, in
tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 10 september 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|