|
Uitspraak
02/1390
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A. Faber-Speksnijder, werkzaam bij Helpdesk
Sociale Verzekeringen B.V., gevestigd te Bedum, op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een
uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 januari 2002 (nr. 00/999 WAZ),
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.
Desgevraagd hebben partijen antwoord gegeven op vragen van de fungerend
president, waarbij appellante nog een medisch rapport in geding heeft
gebracht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 3 augustus 2004, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante was, sedert april 1996, werkzaam als schippersvrouw in een
vennootschap onder firma met haar echtgenoot, toen zij op 27 oktober
1997 stilstaand in haar auto van achteren werd aangereden. Naar
aanleiding van haar aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering werd
zij onderzocht door een verzekeringsarts van gedaagde die constateerde
dat er bij appellante sprake was van een whiplash trauma en een
belastbaarheidspatroon opstelde met algemene beperkingen ten aanzien van
zware fysieke activiteiten in verband met vermoeidheidsklachten,
toegenomen slaapbehoefte en daarmee samenhangende
concentratieproblematiek en hoofdpijnklachten. De verzekeringsarts hield
tevens rekening met een verminderde belastbaarheid van de armen, de nek
en het lopen op ongelijke oppervlakten, alsmede met psychische
beperkingen. Gedaagdes arbeidsdeskundige kwam na onderzoek tot de
conclusie dat appellante niet langer in staat was haar eigen werk te
verrichten, maar nog wel een aantal andere functies waarmee zij haar
maatmanloon kon verdienen, zodat bij het einde van de voorgeschreven
wachttijd van 52 weken geen relevante mate van arbeidsongeschiktheid
voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
bestond.
Gedaagde weigerde vervolgens bij besluit van 25 oktober 1999 appellante
een WAZ-uitkering toe te kennen onder de overweging dat de mate van haar
arbeidsongeschiktheid op en na 26 oktober 1998 minder dan 25% bedraagt.
In de bezwaarfase is het dossier bestudeerd door een
bezwaarverzekeringsarts, die zich wel kon verenigen met het eerder
vastgestelde belastbaarheidspatroon en in zijn rapport een toelichting
heeft gegeven op de bij de voorgehouden functies aangegeven markeringen.
Bij besluit van 1 mei 2000 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het
bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat het bestreden besluit berust op een
juiste medische grondslag, dat gedaagde appellante terecht geschikt
heeft geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies en
dat gedaagde het Besluit uurloonschatting 1999 juist heeft toegepast
door toepassing van een reductiefactor van 38/60. De rechtbank heeft
verder geconstateerd dat gedaagde ten onrechte de winst over 1996 niet
heeft toegerekend aan 9 maanden, nu appellante eerst vanaf april 1996
samen met haar echtgenoot een binnenvaartschip exploiteert, maar daaraan
geen gevolgen verbonden omdat ook bij het toerekenen van de winst aan 9
maanden en het rekening houden met vakantieweken de mate van
arbeidsongeschiktheid ruimschoots onder de 25% blijft. De rechtbank
heeft desalniettemin het beroep gegrond verklaard en het bestreden
besluit vernietigd omdat de schatting op verdiensten in het eigen
bedrijf naar haar oordeel op onzorgvuldige en onvoldoende gemotiveerde
wijze heeft plaatsgevonden en gedaagde verzuimd heeft de jaarcijfers
over 1994 en 1995 op te vragen en deze mede aan de berekening van het
maatmaninkomen ten grondslag te leggen.
Gedaagde heeft berust in de uitspraak van de rechtbank en de Raad laten
weten dat een nader onderzoek als gevolg van de uitspraak gedaagde tot
de conclusie heeft gebracht dat het primaire besluit van 25 oktober 1999
kan worden gehandhaafd. Desgevraagd heeft gedaagde laten weten geen
nieuw besluit op bezwaar te hebben genomen, omdat in de visie van
gedaagde het nemen van een besluit, waarvan de inhoud of strekking
overeenkomt met het oorspronkelijke besluit geen zin heeft zolang de
werking van de aangevallen uitspraak is geschorst waardoor het bestreden
besluit nog steeds van kracht is.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd het niet eens te zijn met
het oordeel van de rechtbank over het medisch/arbeidskundig onderzoek.
De Raad overweegt als volgt.
In de eerste plaats zal de Raad zich uitspreken over de omvang van het
geding in hoger beroep. Gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift,
het nader toegezonden medische rapport en mede gelet op de inhoud van de
uitspraak en het feit dat gedaagde daarin heeft berust ziet de Raad
aanleiding de omvang van het geding in hoger beroep te beperken tot de
vragen of de rechtbank terecht de voor appellante vastgestelde
belastbaarheid en de geschiktheid voor de aan de schatting ten grondslag
gelegde functies akkoord heeft bevonden.
De verzekeringsarts heeft appellante zelf onderzocht en beschikte over
een rapport van de neuroloog dr. M.B.M. Ruijs van 3 februari 1998, alsmede over een rapport van de KNO-arts dr. J.J.E. Vos
van 30 juni 1998. De verzekeringsarts heeft bij het opstellen van het
belastbaarheidspatroon rekening gehouden met de bevindingen van beide
artsen. Het is de Raad althans niet kunnen blijken dat op basis van deze
rapportages de verzekeringsarts meer dan wel verdergaande beperkingen
had moeten aannemen. In hoger beroep heeft appellante een op verzoek van
een verzekeringsmaatschappij in het kader van de letselschadezaak
uitgebracht rapport in geding gebracht van de neuroloog prof. dr. J.H.J.
Wokke van 28 januari 1999, ter onderbouwing van haar standpunt dat zij
meer beperkt is dan gedaagde aanneemt. De Raad ziet in dit rapport
echter slechts een bevestiging van het beeld dat uit alle in het dossier
aanwezige medische stukken naar voren komt, namelijk dat er bij
appellante sprake is van een postwhiplashsyndroom en dat de klachten
die appellante ten gevolge daarvan ondervindt klachten zijn van
duizeligheid, concentratie- en geheugenstoornissen. Van enige
neurologische afwijking is, ook volgens neuroloog Wokke, geen sprake.
Voorgaande overwegingen brengen de Raad tot de conclusie dat de
rechtbank op goede gronden de medische grondslag van het bestreden
besluit als juist heeft beoordeeld.
Bij de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd bevinden
zich verschillende functies waarvan de verwoording functiebelasting met
een of meer asterisken is gemarkeerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft
in zijn rapport van 20 april 2000 toegelicht waarom de met een of meer
asterisken gemerkte functies, ondanks het feit dat de belasting in die
functies afwijkt van de belastbaarheid van appellante zoals verwoord in
het belastbaarheidspatroon, desalniettemin voor appellante geschikt
moeten worden geacht. De Raad is van oordeel dat deze toelichting op
één uitzondering na als toereikend kan worden aangemerkt. De
toelichting die de Raad niet toereikend acht, is de toelichting op de
overschrijding op het aspect tillen (punt 13) van de functie
machinebediende. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat een
enkele keer per week 8-9 kg tillen acceptabel is en valt binnen de door
de verzekeringsarts bedoelde belastbaarheid. De Raad stelt echter vast
dat bij het aspect tillen in deze functie tevens is vermeld dat er 15
keer per uur moet worden getild: 5 keer per uur 10 kg en overigens 5 kg.
De verzekeringsarts heeft op het formulier fis va/ad aangegeven dat de
code voor het aspect tillen 1b is, hetgeen wil zeggen dat appellante 15
keer per uur 5 kg mag tillen, maar daaraan toegevoegd dat af en toe 10
kg geen bezwaar is. De bezwaarverzekeringsarts heeft derhalve in het
geheel geen aandacht geschonken aan de belasting die ook inhoudt dat in
de functie van machinebediende 5 keer per uur 10 kg moet worden getild.
Overigens blijven er, indien de functie van machinebediende vervalt,
voldoende functies over om de onderhavige schatting op te kunnen baseren
zodat de Raad toch tot de conclusie komt dat de rechtbank eveneens op
goede gronden heeft geoordeeld dat aan de schatting voldoende functies
ten grondslag liggen die qua belasting de belastbaarheid van appellante
niet te boven gaan.
Voorgaande overwegingen leiden tot het oordeel dat de aangevallen
uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|