|
Uitspraak
03/356
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te
Nijmegen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een op 2 december 2002 door de rechtbank Roermond
tussen partijen gegeven uitspraak (nr. 2002/349 WAZ) waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 augustus 2004,
waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als zelfstandig garagehouder toen hij op 15 mei
2001 een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering indiende,
daarbij stellende sedert ongeveer juli 1993 arbeidsongeschikt te zijn.
Gedaagde weigerde appellant bij besluit van 29 oktober 2001 een
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder de overweging dat appellant na
de voorgeschreven wachttijd van 52 weken op en na 29 juni 1999 minder
dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is te achten. Bij besluit
van 25 maart 2002 (het bestreden besluit) verklaarde gedaagde het
bezwaar van appellant ongegrond.
De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen
het bestreden besluit ongegrond.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde zijn
belastbaarheid heeft overschat en dat de rechtbank ten onrechte geen
waarde heeft toegekend aan de rapporten van medisch adviseur Van den
Hatert en neuroloog Aànen. Verder acht appellant de gegeven motivering
bij de diverse asterisken onvoldoende en is hij van mening dat de
functies inpakker en herverpakker tricotproducten onvoldoende
realiteitswaarde hebben, omdat de functie welke gedurende 37 uur wordt
verricht slechts drie arbeidsplaatsen kent en de functies niet identiek
zijn qua salariëring.
De Raad overweegt het volgende.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de wijze waarop de aan het
bestreden besluit liggende medische beoordeling tot stand is gekomen
voldoende zorgvuldig is en dat de rapporten van Van den Hatert en Aenen
onvoldoende aanleiding geven om te twijfelen aan het resultaat van die
medische beoordeling. De Raad kan zich in dit verband volledig vinden in
het betoog van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen in diens rapport van
13 september 2002.
De Raad is voorts van oordeel dat de belasting van de voor appellant
geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet
overschrijdt. De Raad stelt daarbij vast dat drie van de vier
geselecteerde op één enkel aspect een belasting laten zien die hoger
is dan de belastbaarheid van appellant op dat aspect. De
verzekeringsarts J.J.P.A. Smijers heeft echter op afdoende wijze
gemotiveerd waarom die functies desalniettemin voor appellant geschikt
moeten worden geacht.
Ten aanzien van de door appellant opgeworpen grief dat de functies
inpakker en herverpakker tricotproducten onvoldoende realiteitswaarde
hebben overweegt de Raad het volgende. De functies inpakker en
herverpakker tricotproducten zijn twee functies binnen dezelfde
Functiebestandscode (fb-code) 7958. De functie inpakker is een functie
voor 19 uur per week en omvat zes arbeidsplaatsen. De functie
herverpakker tricotproducten is een functie voor 37 uur per week en kent
drie arbeidsplaatsen. De Raad is geen bepaling of jurisprudentie bekend
op basis waarvan deze twee functies niet in één fb-code opgenomen
mogen worden omdat het uurloon of de omvang van de respectievelijke
functies niet gelijk is. Gelet op de uitgangspunten van het Functie
Informatie Systeem (FIS) kunnen in één fb-code verschillende functies
worden ondergebracht, indien de aan die functies verbonden werkzaamheden
voor ten minste 65% met elkaar overeenstemmen. Ook overigens is de Raad
van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de schatting onvoldoende
realiteitswaarde heeft. Naast de hiervoor genoemde functies liggen aan
de schatting ook ten grondslag de functie operator voor 36 uur per week
en omvattende 30 arbeidsplaatsen, alsmede de functie chauffeur taxibusje
voor 20 uur per week en omvattende 40 arbeidsplaatsen. Aan de schatting liggen derhalve vier functies in
drie fb-codes ten grondslag, die gezamenlijk tenminste 30
arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en per fb-code minimaal zeven
arbeidsplaatsen omvatten. De Raad constateert voorts dat de berekening
van de resterende verdiencapaciteit van appellant is verlopen aan de
hand van de zogeheten stap 3 als bedoel in het Besluit uurloonschatting (Besluit van 11
februari 1999, Stcrt. 1999, 40), waarbij, uitgaande van een omvang van
de maatmanfunctie van 45 uur, de reductiefactor is gesteld op 20/45.
Appellant is naar het oordeel van de Raad met toepassing van deze
reductiefactor niet te kort gedaan.
Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde naar voren gebracht dat
het FIS opnieuw is geraadpleegd in verband met het feit dat uit de
arbeidsmogelijkhedenlijst is gebleken dat alle aan de schatting ten
grondslag liggende functies een actualiteitsdatum kennen, die na de
datum in geding is gelegen. Uit dat onderzoek is volgens de gemachtigde
van gedaagde naar voren gekomen dat alle vier functies eerder zijn
geactualiseerd op respectievelijk 4 december 1998, 26 mei 1998, 30 maart
1999 en 28 mei 1999.
De belasting in die functies is volgens de gemachtigde van gedaagde
identiek aan de belasting in de geselecteerde functies, terwijl de
uurlonen ten tijde van de zojuist genoemde actualisering niet hoger
lagen dan bij de latere actualisering. De Raad stelt dat met
inachtneming van deze gegevens in voldoende mate vaststaat dat de aan de
schatting ten grondslag gelegde functies op de arbeidsmarkt voorkwamen
ten tijde in dit geding van belang.
Nu de grieven van appellant niet slagen en de Raad ook overigens geen
aanleiding ziet om het bestreden besluit niet juist te achten, komt de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van A. Bos als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. Bos.
|
|