|
Uitspraak
02/1775
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 februari 1999 heeft gedaagde aan appellant op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) per 3
augustus 1998 een uitkering toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
Bij besluit van 2 maart 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 18 februari 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 7 februari 2002, reg.nr.
00/667 WAZ, het beroep van appellant tegen het besluit van 2 maart 2000
ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount
Adviesgroep te Zwolle, namens appellant op bij beroepschrift van 15
maart 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 13 maart 2003 heeft de gemachtigde van appellant de
beroepsgronden nader onderbouwd.
Bij brief van 12 maart 2004 (met bijlagen) heeft gedaagde schriftelijk
op een vraag van de Raad gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 augustus
2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde. Gedaagde heeft zich - met voorafgaand bericht - niet doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als meewerkend eigenaar van een schildersbedrijf
toen hij op 4 augustus 1997 gedeeltelijk uitviel wegens rug- en
nekklachten tengevolge van de ziekte van Bechterew.
Naar aanleiding van de door hem op 14 april 1998 ingediende aanvraag om
een WAZ-uitkering is appellant op 9 september 1998 onderzocht door de
verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort die een belastbaarheidspatroon
heeft opgesteld waarin de beperkingen van appellant zijn opgenomen. De
verzekeringsarts heeft appellant ongeschikt voor zijn eigen werk geacht.
De arbeidsdeskundige J. Wierda heeft enkele functies geselecteerd die
naar zijn mening door appellant, met inachtneming van zijn beperkingen
zoals die zijn weergegeven in het belastbaarheidspatroon, moeten kunnen
worden vervuld. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie
functies waarin het meest kan worden verdiend met het maatmaninkomen van
appellant, levert een mate van arbeidsongeschiktheid op van 51,41%.
In de bezwaarfase is door de bezwaarverzekeringsarts C.M. de Blécourt-Kuiper
het belastbaarheidspatroon van appellant op enkele punten aangepast,
tengevolge waarvan de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe een aantal
van de appellant voorgehouden functies niet meer passend achtte en een
aantal andere functies daarvoor in de plaats geselecteerd heeft. Dit
heeft evenwel geen gevolgen gehad voor de arbeidsongeschiktheidsklasse
waarin appellant is ingedeeld.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de geduide functies
niet geschikt zijn omdat deze zijn belastbaarheid overschrijden. Tevens
is ten onrechte geen arbeidsduurbeperking aangenomen en is ten onrechte
als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 4 augustus 1997 genomen. Naar de
mening van appellant is genoegzaam aangetoond dat er al in een eerder
stadium sprake was van uitval. Voorts is appellant van mening dat het
maatmaninkomen niet juist is vastgesteld. Ten slotte vraagt appellant
gedaagde te veroordelen tot de reeds bij schrijven van 23 augustus 1999
gevorderde integrale vergoeding van de kosten van door derden aan
appellant verleende rechtsbijstand in bezwaar.
De Raad is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden
besluit met voldoende zorgvuldigheid is voorbereid. De Raad overweegt
hiertoe dat de verzekeringsarts Van Amelsfoort, alvorens hij een
belastbaarheidspatroon heeft opgesteld, appellant zelf heeft onderzocht
en informatie van de behandelend sector heeft opgevraagd en ontvangen.
De bezwaarverzekeringsarts De Blécourt-Kuiper heeft appellant opnieuw
onderzocht en het belastbaarheidspatroon aangepast. Noch in beroep in
eerste aanleg noch in hoger beroep zijn van de kant van appellant
medische gegevens overgelegd die twijfel doen ontstaan aan de in bezwaar
vastgestelde beperkingen.
De schatting is gebaseerd op de functies samensteller (Fb-code 8463),
monteur communicatieapparatuur (Fb-code 8538) en verkooptelefonist (Fb-code
4722).
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat gedaagde met de
rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe van 30 november
1999 voldoende heeft gemotiveerd dat appellant in staat moet worden
geacht de werkzaamheden in de geduide functies, rekening houdend met de
een of meer in de verwoordingen functiebelasting voorkomende asterisken,
die aangeven dat er mogelijk een overschrijding van belastbaarheid is op
het betreffende onderdeel, te verrichten. Met betrekking tot de asterisk
op het onderdeel zitten bij de functie samensteller overweegt de Raad
dat uit de verkorte functieomschrijving behorend bij die functie
genoegzaam blijkt dat het zitten afgewisseld kan worden met staan en
lopen, nu het voor die functie noodzakelijk is dat er zelf uit een kast
lichte onderdelen als schroefjes en moertjes gehaald worden. Bovendien
dienen er inpakwerkzaamheden verricht te worden en dient de werkplek
schoongehouden te worden. Ook hierdoor kan het zitten met staan en lopen
afgewisseld worden.
Met betrekking tot de functie monteur overweegt de Raad dat er een
asterisk is bij het onderdeel reiken. Bij schrijven van 12 maart 2004
heeft gedaagde, als antwoord op een vraag van de Raad, een rapportage
van de bezwaarverzekeringsarts De Blécourt-Kuiper overgelegd. Deze is
van mening dat de functie monteur geschikt is voor appellant omdat 50
centimeter reiken binnen handbereik is, zodat er niet naar voren geneigd
hoeft te worden. Voor 70 centimeter reiken is naar voren buigen wel
noodzakelijk. Dat hoeft slechts 15 maal per uur te gebeuren, hetgeen de
belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. De Raad kan gedaagde in
dit standpunt volgen.
Nu ook de functie verkooptelefonist geen overschrijding van de
belastbaarheid oplevert (de verwoording functiebelasting laat alleen een
asterisk bij het onderdeel zitten zien, maar daarbij is aangetekend:
“veel zitten, mogelijkheid tot vertreding”) en de drie genoemde
functies ook voor het overige passend en geschikt voor appellant zijn,
oordeelt de Raad dat de functies terecht aan appellant voorgehouden
zijn. Een berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van
deze functies leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van
45-55%. De Raad ziet gelet op de gedingstukken geen reden appellant te
volgen in zijn stelling dat er ten onrechte geen verdergaande
arbeidsduurbeperking dan 40 uur per week is opgenomen.
De Raad oordeelt voorts dat appellants grief dat de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag onjuist is vastgesteld, niet kan slagen, nu
appellant zelf in zijn WAZ-aanvraag heeft gesteld dat hij sedert 4
augustus 1997 arbeidsongeschikt is, dat van die datum ook in andere
medische stukken is uitgegaan en dat niet aangetoond is dat deze datum
onjuist is.
Voor wat betreft de stelling van appellant dat de maatman niet juist is
vastgesteld, verwijst de Raad naar de overweging van de rechtbank op dit
punt die hij tot de zijne maakt.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.P. Grauss.
|
|