|
Uitspraak
03/
6450 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 6 september 2002 heeft appellant geweigerd aan gedaagde
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat zij na afloop
van de wettelijke wachttijd van 52 weken op en na 28 februari 2002
minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 7 mei 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft
appellant het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Leeuwarden van 17 november 2003, nummer 03/695 WAZ, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Het geding is - gedeeltelijk gevoegd met een aantal andere zaken -
behandeld ter zitting van de Raad op 17 augustus 2004, waar voor
appellant zijn verschenen mr. E.J.S. van Daatselaar, de
arbeidsdeskundige H. Mulders, de arbeidsdeskundige-analist D. Vermeulen
en de verzekeringsarts W.C. Otto, allen werkzaam bij het Uwv, en waar
gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
Inleidende overwegingen
In de onderhavige zaak ligt ter beoordeling voor een besluit waarin de
mate van arbeidsongeschiktheid van de betrokken verzekerde is bepaald
met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).
Naar reeds in rubriek I is vermeld, is de onderhavige zaak ter zitting
van de Raad, gehouden op 17 augustus 2004, gedeeltelijk gevoegd
behandeld met een aantal andere zaken waarin eveneens een schatting aan
de orde is die met behulp van het CBBS is uitgevoerd. Bedoelde
gedeeltelijk gevoegde behandeling had betrekking op de meer algemene, de
individuele zaak overstijgende, aspecten van het CBBS als ondersteunend
systeem bij schattingen.
Van de zijde van het Uwv is bij brief van 28 juli 2004 een aantal
algemene vragen betreffende het CBBS beantwoord die, mede naar
aanleiding van grieven die in enkele van vorenbedoelde zaken van de
zijde van de betrokken verzekerde naar voren zijn gebracht, bij de Raad
waren gerezen. Vervolgens is ook ter zitting uitvoerig aandacht besteed
aan de algemene aspecten van het CBBS. De in rubriek I genoemde
functionarissen van het Uwv, die in hun hoedanigheid van
CBBS-deskundigen, ieder vanuit de eigen discipline, betrokken zijn
geweest bij de totstandkoming en invoering van het CBSS, hebben ter
zitting van de Raad vragen beantwoord en tevens een nadere toelichting
op de systematiek van het CBBS verstrekt.
De Raad ziet aanleiding om na een uiteenzetting van de belangrijkste
kenmerken van het CBBS in de eerste plaats een algemeen oordeel uit te
spreken inzake het CBBS. Daarna zal, mede in het licht van dat algemene
oordeel, meer specifiek de houdbaarheid in rechte van het bestreden
besluit worden beoordeeld.
Korte schets van het CBBS
Het CBBS vervangt met ingang van 1 januari 2002 het Functie Informatie
Systeem (FIS) als ondersteunend systeem bij beoordeling van aanspraken
op een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidswetten.
Als een van de onderdelen van het CBBS heeft de zogeheten Functionele
Mogelijkheden Lijst (FML) de plaats ingenomen van het voorheen
gehanteerde FIS-belastbaarheidsprofiel. De FML bevat, teneinde iemands
mogelijkheden tot functioneren in beeld te brengen, een zestal
rubrieken, te weten: rubriek I: persoonlijk functioneren, rubriek II:
sociaal functioneren, rubriek III: aanpassing aan fysieke
omgevingseisen, rubriek IV: dynamische handelingen, rubriek V: statische
houdingen en rubriek VI: werktijden.
Om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, voor iemand beperkingen
vallen aan te geven, zijn in elke rubriek van de FML voor de daarin
opgenomen afzonderlijke belastbaarheidsaspecten zogeheten normaalwaarden
tot ijkpunt genomen. Die normaalwaarden, welke zijn ontleend aan
empirische gegevens, beogen het niveau van functioneren aan te geven
waartoe een gezond persoon van 16 tot 65 jaar (de beroepsbevolking)
minimaal in staat is. Aan de gebruikershandleiding CBBS voor
verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen kan worden ontleend dat telkens
is gekozen voor een normaalwaarde die ongeveer overeenkomt met de eisen
van het dagelijks leven. De gedachtegang daarbij is geweest dat
dergelijke normaalwaarden het beste herkenbaar zijn en dat beperkingen
in arbeid in principe hun tegenhanger behoren te hebben in het dagelijks
leven, onder erkenning overigens - eveneens in die handleiding - dat dit
niet helemaal waar is, in die zin dat deelname aan het arbeidsproces
meer discipline en op onderdelen meer inspanning vereist en minder
regelmogelijkheden kent dan het dagelijks leven.
Ten opzichte van deze normaalwaarden kan de verzekeringsarts dan op de
FML aangeven of, en zo ja in welke mate, iemand met betrekking tot een
bepaald belastbaarheidsaspect beperkt is te achten. Het oordeel van de
verzekeringsarts dient in een afzonderlijke verzekeringsgeneeskundige
rapportage te worden beargumenteerd. Op basis van de FML wordt ook een
zogeheten kritische FML (kFML) opgesteld, waarop uitsluitend die
onderdelen staan vermeld waarop voor de betrokken verzekerde ten
opzichte van de betreffende normaalwaarde een bepaalde beperking van
toepassing wordt geacht.
De arbeidsdeskundige onderzoekt vervolgens, uitgaande van het oordeel
van de verzekeringsarts zoals dat naar voren komt uit de (k)FML en uit
diens rapportage, wat de resterende verdiencapaciteit van de betrokken
verzekerde is. Hiertoe raadpleegt die functionaris het CBBS en
beoordeelt hij of de verzekerde geschikt is voor gangbare arbeid. De
functies die grotendeels als gelijksoortig kunnen worden aangemerkt,
zijn in het CBBS geclusterd onder SBC-codes (Standaard Beroepen
Classificatie), welke derhalve de Functie Bestandscodes (FB-codes) van
het FIS vervangen.
Het CBBS vergelijkt het merendeel van de op de FML voorkomende
belastbaarheidsaspecten met de belastinggegevens van de in het systeem
opgenomen functies. Op basis van bedoelde vergelijking van deze als
“matchende” beoordelingspunten aangeduide aspecten vindt vervolgens
in het CBBS een geautomatiseerde selectie plaats van potentieel
geschikte functies. Volgens het systeem als ongeschikt aan te merken
functies worden niet aan de arbeidsdeskundige gepresenteerd. Potentieel
wel geschikte functies worden, al dan niet met een of meer signaleringen
ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van de
betrokken verzekerde op een bepaald onderdeel of op bepaalde onderdelen,
aan de arbeidsdeskundige gepresenteerd, die vervolgens tot een
eindoordeel moet komen. In voorkomende gevallen kan deze functionaris
daarbij eerst in nader overleg treden met de verzekeringsarts.
De op de FML - en daardoor ook op de kFML - voorkomende
belastbaarheidsaspecten corresponderen evenwel niet volledig met de
belastingpunten die zijn opgenomen op de lijsten met
functiebeschrijvingen. De FML bevat namelijk meer beoordelingspunten dan
die lijsten. De beoordelingspunten in de FML waarvoor geen
corresponderend belastingpunt aan de zijde van de functieanalyse
bestaat, worden in het CBBS aangeduid als zogeheten “niet-matchende”
beoordelingspunten. Het gaat daarbij om belastingpunten die moeilijk in
maat en getal zijn uit te drukken en/of in de ene werksituatie een
geheel andere betekenis kunnen hebben dan in een andere werksituatie.
Indien iemand op een dergelijk niet-matchend punt beperkt wordt geacht
zal de arbeidsdeskundige steeds, zo nodig in overleg met de
verzekeringsarts, “handmatig” dienen te beoordelen of zulks in de
weg staat aan het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan
de geselecteerde functies. Doordat de niet-matchende aspecten niet in
het CBBS zijn opgenomen als bij de functieselectie te beoordelen punten,
blijven die aspecten immers bij de geautomatiseerde (voor)selectie door
het systeem volledig buiten beeld.
Algemeen oordeel Raad inzake het CBBS
De Raad stelt voorop dat hem niet gebleken is van redenen om een systeem
als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als
ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in
welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de
arbeidsongeschiktheidswetten. Er zijn, in het licht van de in de
arbeidsongeschiktheidswetten gegeven regels inzake het
arbeidsongeschiktheidsbegrip, zoals deze nader zijn uitgewerkt in het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, alsmede in het licht van
de met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidsbegrip en
arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen tot stand gekomen rechtspraak,
onvoldoende aanknopingspunten om daarover in algemene zin anders te
oordelen. De Raad tekent daarbij aan dat, gelet op systematiek en inhoud
van die regelgeving, het Uwv bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid enige beoordelingsruimte niet kan worden ontzegd.
In het bijzonder merkt de Raad hierbij op, zulks naar aanleiding van
expliciete kritiek op dat punt van de zijde van een der partijen, dat
dit ook geldt voor de systematiek waarbij aanwezigheid en mate van
beperkingen in beginsel worden bepaald door middel van een vergelijking
met normaalwaarden als referentiekader. Die kritiek komt in essentie
hierop neer dat, nu de normaalwaarden zijn vastgesteld aan de hand van
hetgeen de gezonde beroepsbevolking van 16 tot 65 jaar in het normale
dagelijks leven nog - minimaal - aan activiteiten kan verrichten, geen
juist beeld wordt verkregen van hetgeen iemand in een arbeidssituatie
nog aan kan, daar in een arbeidssituatie doorgaans zwaardere eisen
worden gesteld dan in het dagelijks leven en er voorts minder ruimte
bestaat om zaken naar eigen voorkeur en eigen mogelijkheden in te
richten.
De Raad constateert, naar ook al hiervoor is aangegeven, dat dit
kritiekpunt reeds door de bij de ontwikkeling en invoering van het CBBS
betrokken functionarissen van het Uwv is onderkend. Uit het geheel van
de omtrent het CBBS beschikbare gegevens, zoals deze nog nader
schriftelijk en mondeling zijn toegelicht, is voor de Raad genoegzaam
komen vast te staan dat bij de uiteindelijke inrichting van het systeem,
waaronder hier mede dient te worden begrepen de voor verzekeringsartsen
en arbeidsdeskundigen opgestelde gebruikersinstructie, in voldoende mate
ermee rekening is gehouden dat met betrekking tot sommige handelingen en
activiteiten de belasting in arbeid - soms zelfs beduidend - kan
uitstijgen boven de belasting in het dagelijkse leven. Bovendien biedt
de FML de mogelijkheid om in elk geval bij de rubrieken I, II, III, IV
en V specifieke voorwaarden voor het functioneren van de betrokkene in
arbeid in verband met de voor die rubrieken vastgestelde beperkingen te
formuleren. Aldus kan de opvatting dat met het CBBS mensen stelselmatig
te kort wordt gedaan omdat met gebruikmaking daarvan geen reëel beeld
kan worden verkregen van iemands belastbaarheid in een werksituatie,
niet worden gedeeld.
De Raad overweegt voorts dat het bovenstaande niet betekent dat er in
het geheel geen bedenkingen zouden bestaan inzake (onderdelen van) het
CBBS. Die bedenkingen zijn er wel. Het CBBS, zoals dat thans is
ingericht en vormgegeven, bevat namelijk een aantal karakteristieken die
naar het oordeel van de Raad in beginsel, reeds ieder voor zich maar ook
in onderlinge samenhang, ertoe kunnen leiden dat de wijze van
totstandkoming van en de gehanteerde uitgangspunten bij een schatting
zowel voor de betrokken verzekerde, diens eventuele gemachtigde, een
eventuele derde belanghebbende, als in voorkomende gevallen ook voor de
rechter, minder inzichtelijk, minder verifieerbaar en minder toetsbaar
zijn dan het geval is ten aanzien van schattingen met behulp van het
FIS. Of, en zo ja in welke mate, deze problemen zich ook in de praktijk
feitelijk zullen voordoen, zal overigens sterk afhangen van de feiten en
omstandigheden van het voorliggende concrete geval.
De Raad heeft hierbij in de eerste plaats het oog op het gegeven dat in
de FML, en dus ook de kFML, de nummering van de belastbaarheidsaspecten,
anders dan bij het FIS, niet overeenstemt met de nummering van de naar
inhoud overeenkomende items in de lijsten met belastinggegevens van de
functies. Desgevraagd ter zitting hebben de vertegenwoordigers van het
Uwv niet kunnen verklaren waarom bij de totstandkoming van het CBBS er
niet voor is gekozen het systeem van gelijke nummering van
overeenkomende aspecten van belastbaarheid en belasting te handhaven. Er
is door het Uwv voorzien in een zogeheten transponeringstabel, maar deze
behoort niet tot de (dossier)stukken zoals die in geval van bezwaar en
beroep aan de justitiabele en aan de rechter ter beschikking worden
gesteld. Reeds dit gegeven brengt mee dat het voor anderen dan
functionarissen van het Uwv niet mogelijk is om op een relatief
eenvoudige wijze belastbaarheids- en belastinggegevens met elkaar te
vergelijken.
Voorts voorziet het systeem, eveneens anders dan het geval is bij het
FIS, er niet meer in dat zogeheten markeringen, dat wil zeggen
signaleringen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere
onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een
overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat
punt of op die punten, in de dossiergegevens terecht komen. Aan de
arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem nog wel
op het scherm gepresenteerd, maar ze komen vervolgens niet terug in de
geprinte versies van de CBBS-formulieren. Ook als gevolg hiervan laat
het zich voor anderen dan functionarissen van het Uwv niet goed
controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de totale
belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een
betrokkene blijft.
Als derde punt noemt de Raad hier de reeds vorenomschreven systematiek,
inhoudend dat de FML naast matchende beoordelingspunten, dat wil zeggen:
punten die ook staan vermeld op de lijsten met functiebelastingen en
aldus door het geautomatiseerde systeem met elkaar worden vergeleken,
ook niet-matchende, dat wil zeggen: niet op de lijsten met
functiebelastingen voorkomende, beoordelingspunten kent, die aldus niet
door het systeem worden vergeleken. Als gevolg hiervan is het, naar van
de zijde van het Uwv desgevraagd ook expliciet is erkend, in beginsel
mogelijk dat functies door het systeem worden geselecteerd als
potentieel passende functies - om reden dat bij vergelijking door het
systeem van de matchende beoordelingspunten niet gebleken is van
onaanvaardbare overschrijdingen van de belastbaarheid van de betrokken
verzekerde - terwijl de betreffende functies bij die selectie eigenlijk
als niet, of niet zonder meer, geschikt zouden moeten zijn aangemerkt,
aangezien ze een aanmerkelijke belasting kennen op onderdelen waarvoor
de betrokken verzekerde volgens de (niet-matchende
belastbaarheidsaspecten van de) (k)FML evenzeer aanmerkelijk beperkt is.
Ook dit punt kan in voorkomende gevallen een extra belemmering vormen
voor de justitiabele en/of de rechter om te controleren of een functie
terecht als passend is aangemerkt.
Nu evenvermelde punten, die overigens niet zijn bedoeld als een
uitputtende opsomming van alle aan het CBBS klevende onvolkomenheden,
maar wel een aantal belangrijke en in het oog springende onvolkomenheden
daarvan vormen, in beginsel in de weg kunnen staan aan een nog als
toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en
toetsbaarheid van een schattingsbesluit met behulp van het CBBS in een
concreet geval, dienen, in elk geval zolang het CBBS als zodanig met
betrekking tot evenvermelde onvolkomenheden ongewijzigd wordt gelaten,
ter compensatie daarvan en ter voorkoming dat het bestreden besluit
wegens strijd met de artikelen 3:2 en/of 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd, hoge(re) eisen
te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een
concreet geval aan het betreffende schattingsbesluit ten grondslag
gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten.
Uiterlijk bij het besluit op bezwaar dient de betreffende schatting te
zijn voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering,
bijvoorbeeld neergelegd in de aan dat besluit ten grondslag te leggen
rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en/of de
bezwaararbeidsdeskundige, dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt
geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft
van, de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en
uitgangspunten waarop de schatting berust. Deze rapporten dienen
bovendien, waar nodig, in het bijzonder op de bezwaren van de betrokkene
te zijn toegesneden.
De Raad voegt aan dit laatste toe dat in reeds lopende zaken, waarin
zich met betrekking tot het voorliggende bestreden besluit problemen als
vorenomschreven zouden voordoen, dat besluit in beginsel om die reden
vernietigd zal dienen te worden. Indien het Uwv het besluit in de loop
van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep alsnog voorziet van
de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, dan kan er
aanleiding zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of
gedeeltelijk in stand te laten.
Voor toekomstige besluiten ligt dat evenwel anders: de Raad acht het in
de rede te liggen dat het Uwv, teneinde soortgelijke problemen voor de
toekomst te voorkomen, na kennis genomen te hebben van het in deze
uitspraken neergelegde oordeel van de Raad, ervoor kiest om niet te
volstaan met het telkens verstrekken van - naar het de Raad voorkomt:
arbeidsintensieve - afzonderlijke toelichtingen en motiveringen in zich
aandienende individuele gevallen, maar om tot een zekere
systeemaanpassing over te gaan, teneinde de hiervoor gesignaleerde
onvolkomenheden op een meer structurele wijze op te heffen. Uit het
verhandelde ter zitting is gebleken dat een zodanige systeemaanpassing
in beginsel ook mogelijk wordt geacht. Daarvoor zou wel een bepaalde
termijn aan het Uwv dienen te worden gegund. De Raad acht het redelijk
een dergelijke termijn niet voor 1 juli 2005 te laten eindigen.
Dit betekent dat ermee rekening dient te worden gehouden dat
schattingsbesluiten op bezwaar die vanaf 1 juli 2005 worden genomen,
indien en voor zover daaraan gebreken kleven die voortvloeien uit
onvolkomenheden van het CBBS als ondersteunend systeem, als hiervoor
gesignaleerd, en die niet uiterlijk bij zodanige besluiten bij wege van
een deugdelijke motivering zijn ondervangen, alsdan niet langer op
vorenomschreven wijze in beroep zullen kunnen worden gerepareerd door
middel van het alsnog verstrekken van een nadere onderbouwing,
toelichting en/of motivering. Deze besluiten zullen in daarvoor in
aanmerking komende gevallen door de Raad worden vernietigd - zonder
instandlating van de rechtsgevolgen - wegens strijd met de artikelen 3:2
en/of 7:12, eerste lid, van de Awb vanwege onzorgvuldige voorbereiding
en/of motiveringsgebrek.
Oordeel over het bestreden besluit
De rechtbank Leeuwarden heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de
door de verzekeringsarts vastgestelde en in de FML vastgelegde
belastbaarheid van gedaagde. Voorts acht zij de door de
bezwaararbeidsdeskundige in haar rapport van 22 oktober 2003 gegeven nadere toelichting op een aantal beperkingen van
gedaagde in de rubrieken III, IV en V in het licht van de geduide
functies voldoende. De rechtbank heeft niettemin het door gedaagde
ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd
om reden dat er op het zogenoemde formulier ‘Resultaat Eindselectie’
in de geduide functies sprake is van een bijzondere belasting ten
aanzien van belastingpunt 2 (probleem oplossen). Voor dit belastingpunt
is geen corresponderende beperking opgenomen in de FML. Nu verweerder
niet middels een nadere toelichting van de (bezwaar)verzekeringsarts of
de (bezwaar)arbeidsdeskundige, dan wel ter zitting duidelijk heeft
kunnen maken of er sprake is van een overschrijding van de
belastbaarheid ten aanzien van genoemd belastingpunt en of de eventuele
overschrijding aanvaardbaar wordt geacht, acht de rechtbank de
functieduiding in dit opzicht onvoldoende gemotiveerd.
In zijn aanvullend hoger beroepschrift d.d. 26 januari 2004 heeft
appellant onder meer aangegeven dat de rechtbank door bovenstaande
conclusie in haar uitspraak een (niet-bestaande) tegenstrijdigheid heeft
opgeworpen. De rechtbank heeft aangegeven uit te gaan van de juistheid
van de in de FML vastgestelde beperkingen. Gelet op de gestelde
beperkingen is enige signalering op het door de rechtbank genoemde
belastingpunt ‘probleem oplossen’ niet aan de orde. Immers, het gaat
niet om een te relateren overschrijding op grond van beperkingen in de
rubrieken I. en II. (persoonlijk en sociaal functioneren). In deze
kwestie speelt dat gedaagde uitsluitend een aantal fysieke beperkingen
heeft, aldus appellant.
De Raad overweegt als volgt.
In de eerste plaats stelt hij vast dat het onderhavige beoordelingspunt
‘probleem oplossen’ in de weergave van de functiebelasting op het
formulier ‘Resultaat Eindselectie’ geen daarmee corresponderend item
op de FML kent. Daarmee is er in dit geval sprake van een situatie die
het spiegelbeeld vormt van de hierboven in het algemene gedeelte reeds
besproken problematiek van de zogenaamde niet-matchende punten, waarop
de rechtbank kennelijk het oog heeft gehad.
Hiervoor werd reeds opgemerkt dat de punten in de FML waarvoor geen
corresponderend belastingpunt aan de zijde van de functieanalyse
bestaat, in het CBBS worden aangeduid als zogeheten niet-matchende
beoordelingspunten. In een dergelijke situatie zal de arbeidsdeskundige
steeds kenbaar, zo nodig in overleg met de verzekeringsarts,
‘handmatig’ dienen te beoordelen of zulks in de weg staat aan het
verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de geselecteerde
functies.
In de onderhavige (spiegelbeeldige) situatie volstaat echter de
constatering dat de beperkingen van gedaagde gelegen zijn op het fysieke
vlak en dat zij in het geheel niet beperkt is in haar psychische
belastbaarheid. De Raad houdt het er dan ook voor dat de bijzondere
belasting op het belastingpunt ‘probleem oplossen’ die in elk van de
(oorspronkelijk) aan de schatting ten grondslag gelegde functies
(accountmanager (sbc-code 516180), telefoniste/centraliste (315170) en
telefoniste/receptioniste (315120)) voorkomt, voor gedaagde bij de
uitoefening van de desbetreffende functie geen onoverkomelijke bezwaren
zal meebrengen.
Overigens is namens appellant ter zitting van de Raad nog naar voren
gebracht dat eventuele opmerkingen bij het genoemde belastingpunt in de
functie-enquête met name gebruikt worden om het niveau van de functie
vast te stellen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand
kan blijven.
Ten slotte overweegt de Raad nog het volgende.
Het is de Raad opgevallen dat in de functiebeschrijving van een aantal
van de voorgehouden functies, bijvoorbeeld de loketbediende NS (sbc-code
316011), bij de omschrijving van het arbeidspatroon staat aangegeven
“geen wisselende diensten”, terwijl in de functie-inhoud staat
vermeld - hetgeen de Raad ook juist voorkomt - dat er wel in wisselende
diensten wordt gewerkt. Bij brief van 15 juli 2004 heeft appellant op
deze schijnbare tegenstelling desgevraagd als toelichting gegeven dat de
aanduiding “geen wisselende diensten” onder de omschrijving van
arbeidspatroon op het formulier ‘Resultaat Eindselectie’ in het CBBS
uitsluitend betekent dat er in het uurloon geen toeslag voor wisselende
diensten is opgenomen, terwijl er in bedoelde functies wel volgens een
bepaald dienstrooster op afwijkende tijden wordt gewerkt.
Hoewel de schriftelijke weergave in de stukken de Raad bepaald
ongelukkig voorkomt en hij appellant in overweging geeft de betreffende
formulieren ter zake in het geautomatiseerd systeem aan te passen, acht
hij dit punt met de zijdens appellant in hoger beroep gegeven nadere
uitleg uiteindelijk wel voldoende en adequaat toegelicht. Dit laatste
geldt naar het oordeel van de Raad overigens ook voor de ervaringseis in
de functie naaister (sbc-code 272040).
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen
en dat in de hogerberoepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte
onderbouwing, toelichting en/of motivering is gegeven. Gelet op het
hiervoor overwogene met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de
conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd
maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel
8:72, derde lid, van de Awb, in stand kunnen worden gelaten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat er termen aanwezig zijn om op
grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op € 34,- aan reiskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij over
vergoeding van griffierecht is beslist;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in
stand blijven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 34,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|