|
Uitspraak
02/6158
WAZ, 03/5000 WAZ en 04/1095 WAZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. T.G.M. Gersjes, advocaat te Eindhoven, op bij
aanvullend beroepschrift - met bijlagen - aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder
dagtekening 18 oktober 2002 tussen partijen gewezen uitspraak,
geregistreerd onder nummer AWB 01/2287, hierna aangeduid als uitspraak
I.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend
Namens appellant is mr. P. Ruitenberg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand
te Leusden, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep
gekomen van een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder dagtekening
21 augustus 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder
nummer AWB 02/1738 WAZ, hierna aangeduid als uitspraak II.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is
gereageerd.
Namens appellant is verzocht een door de arts-jurist dr. mr. J.W.G.A.
van Rens omtrent appellant uitgebrachte expertise d.d. 2 februari 2004
in de procedure te betrekken. In aansluiting daarop is een brief
ingezonden van de oogarts B.J. Klevering aan Van Rens voornoemd,
gedateerd 26 mei 2004, op welke brief van de zijde van gedaagde is
gereageerd.
Namens appellant is mr. Ruitenberg op bij beroepschrift aangegeven
gronden tevens in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank
’s-Hertogenbosch onder dagtekening 9 januari 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder
nummer: AWB 02/2229 WAZ, hierna aangeduid als uitspraak III.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Tevens is een rapport d.d.
4 juni 2004 ingezonden, waarin gedaagdes bezwaarverzekeringsarts G.J.A.
van Kasteren-van Delden een reactie geeft op het expertiserapport d.d. 2
februari 2004 van Van Rens.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 28
september 2004, waar appellant - met voorafgaand bericht - in persoon
noch bij gemachtigde is verschenen, en waar namens gedaagde is
verschenen A.J.J.A.M. Spapens, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant exploiteert als zelfstandig ondernemer een paardenstalhouderij
annex stoeterij annex rijtuigenbedrijf. Hij is als gevolg van een hem op
jeugdige leeftijd overkomen ongeval blind aan zijn linkeroog. In 1993
meldde appellant zich bij gedaagde voor een
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in verband met visusklachten en
daarmee samenhangende hoofdpijnklachten. Aanvankelijk heeft gedaagde
geweigerd om appellant per einde wachttijd in aanmerking te brengen voor
een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
Nadat het beroep van appellant tegen het desbetreffende
weigeringsbesluit in hoger beroep door de Raad gegrond was verklaard,
heeft gedaagde alsnog met ingang van 4 juli 1994 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aan appellant
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%. Een besluit waarbij die uitkering met ingang van 18 maart 2000
weer werd ingetrokken is in bezwaar niet gehandhaafd.
Bij besluit van 30 mei 2000 heeft gedaagde in verband met door appellant
in het jaar 1998 uit zijn bedrijf ontvangen inkomsten uit arbeid de
uitkering onder toepassing van artikel 58 van de WAZ over dat jaar
uitbetaald als ware appellant arbeidsongeschikt naar een mate van 45 tot
55%. Bij besluit van 20 augustus 2001 (hierna: bestreden besluit 1)
heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2000 ongegrond
verklaard. Bij uitspraak I is appellants beroep tegen bestreden besluit
1 ongegrond verklaard.
Appellant houdt in hoger beroep staande dat gedaagde bij de
kortingsberekening zijn arbeidsinkomsten op een te hoog bedrag heeft
vastgesteld. In dit verband heeft appellant naar voren doen brengen dat
zijn echtgenote en ook zijn dochter in 1998 een substantieel aantal uren
in het bedrijf hebben meegewerkt, terwijl hij zelf juist (nog maar) een
gering aantal uren heeft gewerkt. Zijn aandeel in de bedrijfswinst over
1998 was derhalve volgens appellant zeer bescheiden, en in elk geval
minder dan waarvan gedaagde is uitgegaan, zijnde de helft van die winst.
Voorts is appellant de opvatting toegedaan dat ook het als bedrijfswinst
over 1998 in aanmerking genomen bedrag zelf niet juist, want te hoog,
is. Hiertoe is in de eerste plaats erop gewezen dat de winst over het
voorafgaande jaar 1997 zomede over het erop volgende jaar 1999 negatief
was, en dat ook de winst over 1998, indien zou zijn gemiddeld over de
jaren 1997, 1998 en 1999, negatief zou zijn geweest. Voorts is erop
gewezen dat de winst over 1998 in belangrijke mate is bepaald door de
opbrengst van de verkoop van ammoniakrechten en mestquotum. Die
opbrengst heeft, aldus appellant, een incidenteel karakter en is
daarenboven niet toe te schrijven aan zijn arbeid, zodat deze ten
onrechte bij de bedrijfswinst en bij de - te korten - arbeidsinkomsten
zijn betrokken. Ten slotte is nog gesteld dat ten onrechte door gedaagde
de fiscale aftrekregeling voor de meewerkende echtgenote van appellant
niet in aanmerking is genomen. Weliswaar is destijds die regeling door
de accountant van het bedrijf niet toegepast om reden dat de winst
zodanig laag was dat er geen belasting behoefde te worden betaald, maar
de accountant heeft daarbij kennelijk, aldus appellant, de daaruit
voortvloeiende thans voorliggende beperking van appellants uitkering
ingevolge de WAZ niet juist voor ogen gehad.
De Raad ziet, in navolging van de rechtbank, evenvermelde grieven van
appellant niet slagen.
De Raad stelt hierbij voorop dat gedaagde bij de vaststelling van het
als bedrijfswinst aan te merken bedrag alsmede bij de vaststelling van
het daarvan aan appellant toe te rekenen aandeel is uitgegaan van de
door appellant aan de fiscus verstrekte gegevens. In vaste rechtspraak
van de Raad is de hoofdregel neergelegd dat de door een betrokkene aan
de fiscus verstrekte - en door deze aanvaarde - gegevens doorgaans ook
door gedaagde tot uitgangspunt worden genomen bij het nemen van
besluiten als de onderhavige. Zoals ook in de aangevallen uitspraak is
overwogen is dit slechts anders indien ondubbelzinnig zou worden
aangetoond dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de
situatie zoals deze is opgegeven aan de fiscus.
Appellant is er - ook in hoger beroep - niet in geslaagd dit aan te
tonen. Wat betreft de hoogte van de bedrijfswinst over 1998, kan worden
vastgesteld dat het door gedaagde in aanmerking genomen bedrag in
overeenstemming is met de aan de belastingdienst verstrekte gegevens.
Dat wordt van de zijde van appellant overigens op zich ook niet
bestreden. Verder geldt dat bij een zelfstandige als appellant de vraag
of - en zo ja in welke mate - arbeidsinkomsten op de uitkering dienen te
worden gekort, op jaarbasis dient te worden beoordeeld. Voor de door
appellant bepleite middeling van de bedrijfswinst en - in het verlengde
daarvan - van zijn arbeidsinkomsten over een drietal jaren, kan in wet-,
regelgeving noch rechtspraak steun worden gevonden.
Ook valt niet in te zien dat, waar om fiscale redenen door appellant
bewust ervoor is gekozen om de meewerkaftrekregeling niet toe te passen,
gedaagde gehouden zou moeten worden geacht om bij de vaststelling van
appellants inkomsten uit arbeid, ter bepaling van zijn aanspraken op
(uitbetaling van) arbeidsongeschiktheidsuitkering, fictief ervan uit te
gaan dat aan die regeling wel toepassing is gegeven. Ook hier geldt dat
niet is kunnen blijken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan
gedaagde zich niet heeft mogen baseren op de in het kader van de
belastingwetgeving door appellant gemaakte keuze.
Evenmin kan appellant worden gevolgd in zijn zienswijze dat er
aanleiding bestaat om de opbrengst van de verkoop van ammoniakrechten en
mestquotum bij de vaststelling van de bedrijfswinst buiten beschouwing
te laten. Deze opbrengst is in de eerste plaats ook fiscaal als
onderdeel van de bedrijfswinst verantwoord. Voorts valt niet in te zien
dat deze opbrengst niet zou zijn te beschouwen als het resultaat van
arbeid van appellant. De beslissing om tot een dergelijke verkoop over
te gaan is alleszins te beschouwen als een normaal onderdeel van de
bedrijfsvoering in een onderneming als de onderhavige. Het incidentele
karakter ervan maakt dit niet anders.
Wat betreft appellants grief inzake het in aanmerking genomen
winstaandeel, wijst de Raad erop dat uit de beschikbare dossiergegevens
naar voren komt dat appellant ook nog in het jaar 1998 een wezenlijk
aandeel van de ondernemingstaken voor zijn rekening heeft genomen. De
Raad wijst hierbij op het ook door de rechtbank in haar oordeelsvorming
betrokken rapport van 10 augustus 1999 van de arbeidsdeskundige B. de Wildt, waarin een beschrijving van de werkzaamheden van appellant
en de ontwikkeling daarin is opgenomen, alsmede op het rapport van 29
maart 1999 van de verzekeringsarts D.M.P.J. Wierper-Heijnen. In dit
laatste rapport, bevattende het verslag van een door genoemde
verzekeringsarts op 29 maart 1999 ingesteld onderzoek, staat met zoveel
woorden vermeld dat, blijkens opgave van appellant zelf, de door hem op
dat moment dagelijks verrichte activiteiten onder meer bestonden uit het
verzorgen van de paarden, regelwerk, telefonische activiteiten, rijden
met de koetsen, etc. Voorts wordt vermeld dat zijn echtgenote part-time
is gaan werken omdat hijzelf minder kon presteren ten gevolge van zijn
handicap.
De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant in deze procedure is
gesteld, maar niet aan de hand van enig concreet gegeven is onderbouwd,
geen aanknopingspunten aangetroffen om ervan uit te gaan dat
evenvermelde eerdere verklaringen van appellant zelf inzake zijn
daginvulling niet in overeenstemming zouden zijn met de werkelijkheid.
De Raad moet aldus vaststellen dat appellants in hoger beroep
gehandhaafde stelling dat zijn aandeel in de bedrijfsactiviteiten ten
tijde hier van belang was afgenomen tot een niveau dat niet langer het
predikaat substantieel verdiende, in die zin dat bedoeld aandeel
aanzienlijk minder was komen te omvatten dan de helft van het geheel van
de ondernemingstaken, als onvoldoende onderbouwd dient te worden
gepasseerd.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat gedaagde terecht is afgegaan op
de door appellant aan de belastingdienst verstrekte gegevens inzake de
bedrijfswinst en het aan hem toe te rekenen aandeel daarvan, ter grootte
van fl 18.366, -. Nu ook overigens niet gebleken is van gronden om het
bestreden besluit 1 niet voor juist te houden, komt de aangevallen
uitspraak I, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor bevestiging
in aanmerking.
Bij besluit van 25 oktober 2001, in bezwaar in stand gebleven bij
besluit van 5 juni 2002, hierna aangeduid als bestreden besluit 2, heeft
gedaagde appellants WAZ-uitkering met ingang van 24 oktober 2001
ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellant was afgenomen naar minder dan 25%. Bij besluit van 1 mei 2002,
in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 juli 2002, hierna aangeduid
als bestreden besluit 3, heeft gedaagde vervolgens, in reactie op een
verzoek van appellant om per 15 november 2001 in aanmerking te worden
gebracht voor een uitkering ingevolge de WAZ, geweigerd om appellant
(opnieuw) een zodanige uitkering toe te kennen, op de grond dat geen
sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
De Raad komt met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van de
bestreden besluiten 1 en 2 niet tot een ander oordeel dan door de
rechtbank in evenvermelde uitspraken is neergelegd. Hetgeen appellant
met betrekking tot het bestreden besluit 2 heeft doen aanvoeren komt in
essentie hierop neer dat hij de opvatting is toegedaan dat hij ernstiger
beperkt is dan vanwege gedaagde bij het nemen van dat besluit tot
uitgangspunt is genomen en dat hij niet in staat is tot het vervullen
van de in aanmerking genomen functies. Met betrekking tot het bestreden
besluit 3 kan appellant zich niet verenigen met het standpunt van
gedaagde dat geen sprake is van een wezenlijke toename van zijn medische
beperkingen en - daarmee samenhangend - zijn arbeidsbeperkingen.
Ook deze grieven van appellant slagen niet. De door gedaagdes
verzekeringsartsen ingestelde medische onderzoeken zijn ook naar het
oordeel van de Raad voldoende diepgaand en zorgvuldig geweest. Aan de
Raad is niet kunnen blijken van aanknopingspunten om het ervoor te
houden dat er bij die onderzoeken wezenlijke gezondheidsproblemen van
appellant zijn gemist of onvoldoende in de beoordeling zijn betrokken.
Zulke aanknopingspunten acht de Raad ook niet gelegen in de expertise
van dr. mr. Van Rens. De daaruit blijkende periodiek bij appellant
optredende hoofdpijnklachten, voortvloeiend uit een (te) hoge oogdruk,
zijn - zoals ook van de zijde van gedaagde, bij monde van diens
bezwaarverzekeringsarts is aangegeven - in de beoordeling betrokken en
hebben geleid tot vaststelling van enkele specifieke beperkingen. Er is
geen objectief-medische grond om ervan uit te gaan dat dit op
onvoldoende wijze is geschied.
Voor de Raad staat voorts, mede gelet op de toelichting die vanwege
gedaagde is verstrekt bij de markeringen die voorkomen in de verwoording
functiebelasting van de als grondslag van de in het bestreden besluit 2
vervatte schatting betrokken functies, genoegzaam vast dat appellant op
24 oktober 2001 in staat was tot het vervullen van die functies. Tevens
staat voor de Raad genoegzaam vast dat gedaagde bij het nemen van het
bestreden besluit 3 terecht heeft aangenomen dat geen sprake was van een
relevante toename van beperkingen bij appellant. De Raad heeft hierbij
met name acht geslagen op de door de behandelend oogarts C. Verdoorn
omtrent appellant verstrekte informatie, welke erop neerkomt dat ten
aanzien van appellant - die hij laatstelijk op 28 januari 2002 heeft
gezien - sprake is van een sedert 1994 onveranderde situatie en dat ook
voor de toekomst geen veranderingen worden verwacht.
Nu ook overigens, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), geen aanknopingspunten bestaan om de bestreden
besluiten 2 en 3 voor onjuist te houden, komen ook de aangevallen
uitspraken II en III, waarbij achtereenvolgens de tegen de besluiten 2
en 3 ingestelde beroepen ongegrond zijn verklaard, voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken I, II en III.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|