|
Uitspraak
02/3334
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 8 december 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellante op en
na 8 november 1997 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Na heroverweging in het kader van het door appellant tegen het besluit
van 8 december 2000 ingestelde bezwaar heeft gedaagde het (thans
bestreden) besluit van 17 augustus 2001 genomen, waarbij gedaagde heeft
geweigerd aan appellant op en na 8 november 1997 een WAZ-uitkering toe
te kennen op de grond dat appellant vanaf 10 november 1996 tot 1 maart
1999 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en dat
appellant op 28 februari 2000 niet arbeidsongeschikt was.
De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 22 mei 2002, nr. 01/791 WAZ,
het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op door zijn
gemachtigde mr. F. Bult, juridisch adviseur te Zwolle, bij beroepschrift
(met bijlagen) van 25 juni 2002 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 9 september 2002,
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24
september 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. Bult, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. L.G.M. van der Meer, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden alsmede de wijze waarop de besluitvorming van
gedaagde zich heeft voltrokken verwijst de Raad naar rubriek II van de
aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat thans met vermelding van het volgende.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak al haar oordeel gegeven
dat niet is gebleken dat appellant vanaf 10 november 1996 52 weken
onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest; terecht is derhalve per 7
november 1997 (lees: 8 november 1997) een WAZ-uitkering geweigerd.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts op
basis van toereikende medische informatie terecht heeft geconcludeerd
dat appellant belastbaar is te achten voor het verrichten van werk en
dat zijn beperkingen dienaangaande op juiste wijze zijn weergegeven in
het belastbaarheidspatroon van 5 juli 2001. De rechtbank heeft voorts
geoordeeld dat appellant arbeidskundig bezien op 28 februari 2000 in de
functies ‘naaier/stikker’, ‘samensteller’ en ‘verspener’
gemiddeld een zodanig loon kan verdienen dat het verlies aan
verdienvermogen minder dan 25% bedraagt.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vanaf 10 november
1996 voortdurend arbeidsongeschikt is geweest. Noch door gedaagde, noch
door de rechtbank is voldoende onderzocht gedurende welke perioden
appellant redelijkerwijze als arbeidsongeschikt kon worden beschouwd.
Appellant heeft in dit verband gewezen op informatie van de behandelend
sector. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij zijn
vermoeidheidsklachten steeds naar voren heeft gebracht; naar aanleiding
hiervan had gedaagde moeten trachten vast te stellen of er sprake was
van medisch objectiveerbare, uit ziekte of gebrek voortvloeiende,
beperkingen welke een toereikende basis vormden voor het aannemen van
een zekere mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ.
De Raad overweegt dat de grief van appellant dat hij in de periode van
10 november 1996 tot 1 maart 1999 voortdurend arbeidsongeschikt is
geweest geen doel treft aangezien uit de voorhanden zijnde gegevens,
waaronder die betrekking hebben op de inkomsten van appellant, niet
blijkt dat hij in de genoemde periode gedurende 52 weken aanéén wegens
ziekte niet heeft gewerkt. Uit de jaarcijfers over 1996, 1997 en 1998
blijkt dat het deel van de winst dat aan appellant wordt toebedeeld in
deze jaren op ongeveer niveau is gebleven.
De Raad is dan ook van oordeel dat bij het bestreden besluit terecht is
bepaald dat appellant voor 1 maart 1999 de wachttijd van 52 weken niet
heeft volgemaakt.
Verder ziet de Raad in het dossier geen aanknopingspunten om het
standpunt van gedaagde dat appellant aan het einde van de op 1 maart
1999 aangevangen wachttijd van 52 weken minder dan 25% arbeidsongeschikt
is, onjuist te achten.
Met de vermoeidheidsklachten, op grond waarvan appellant zich
arbeidsongeschikt acht, heeft de verzekeringsarts N.J. van Tilburg
rekening gehouden. In zijn rapportage van 22 september 2000 heeft deze
arts gemotiveerd aangegeven dat er geen aanleiding is om volledige
arbeidsongeschiktheid op medische gronden aan te nemen. Over de
vermoeidheids- c.q. malaiseklachten heeft de verzekeringsarts opgemerkt
dat deze niet goed geobjectiveerd kunnen worden, doch dat ze wel reëel
zijn te achten. In het belastbaarheidspatroon is met deze klachten
rekening gehouden door het stellen van beperkingen ten aanzien van
fysieke duurbelasting en fysiek zwaar belastende arbeid.
Bij de medische heroverweging in het kader van de bezwaarprocedure heeft
de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer, in verband met moeheid en
slaapproblemen, nog nadere beperkingen gesteld aan het voortdurend
werken onder hoge werkdruk en het arbeidspatroon.
De gedingstukken bieden geen grondslag voor de mening van appellant dat
het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is
geweest. Evenmin heeft de Raad uit de voorhanden zijnde gegevens kunnen
afleiden dat gedaagde de belastbaarheid van appellant onjuist heeft
beoordeeld.
De Raad is tevens van oordeel dat aan appellant voldoende functies met
voldoende arbeidsplaatsen zijn voorgehouden die vallen binnen de grenzen
van het ten aanzien van hem opgestelde belastbaarheidspatroon.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet
slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van
M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 november
2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|