|
Uitspraak
02/4043
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de op 28 juni 2002 door de
rechtbank ’s-Gravenhage onder kenmerk 01/2248 tussen partijen gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft op 9 november 2002 een verklaring ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16
september 2004, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen
en waar voor gedaagde is verschenen mr. A.J. Verdonk, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Op een daartoe strekkende aanvraag van appellant heeft gedaagde
appellant bij beschikking van 22 januari 2001 ter zake van op 1 juni
1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid ingaande 30 mei 2000 een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
toegekend. Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt, aanvoerende dat
hij uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking op 1 juni
1999 verzekerd was op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Bij besluit van 23 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond
verklaard. Hij heeft daarbij onder meer overwogen, zakelijk, dat niet
aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde van belang verzekerd was
op grond van de WAO en dat hem daarom terecht een uitkering op grond van
die wet is onthouden. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Ambtshalve overweegt de Raad het volgende.
Het eerste besluit omtrent de aanspraken van appellant op grond van de
WAO is voormeld besluit van 23 mei 2001. Daartegen staat, ingevolge
artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht, anders dan onder het
bestreden besluit staat vermeld, geen beroep, maar bezwaar open. Dat
betekent dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten
verklaren en het inleidend beroepschrift ter behandeling als
bezwaarschrift had moeten doorsturen.
Ten overvloede overweegt de Raad dat - tegenover de thans beschikbare,
in andere richting wijzende gegevens - op appellant de bewijslast rust
van het bestaan van een arbeidsovereenkomst met La Provence Restaurants
Ltd.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet
gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk;
Verstaat dat gedaagde het inleidend beroepschrift als bezwaarschrift in
behandeling zal nemen.
Gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel
en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|