|
Uitspraak
02/4296
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 21 februari 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 31 augustus 1999 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 8 juli 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 9 juli 2002, reg.nr.
AWB 2001/937 WAZ het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Namens appellant is mr. F.E.H.M. van Aken, advocaat te Geleen, op bij
aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarin is medegedeeld dat
het bestreden besluit alsmede de primaire beslissing van 21 februari
2001 niet worden gehandhaafd.
Bij brief van 27 juli 2004 heeft gedaagde aan de Raad medegedeeld dat er
een nieuwe beslissing op het bezwaar is genomen en een afschrift van die
beslissing bijgevoegd.
Desgevraagd heeft de opvolgend gemachtigde van appellant, mr. R.C.
Breuls, advocaat te Geleen, bij brief van 25 augustus 2004 medegedeeld
dat met de nieuwe beslissing op bezwaar volledig aan de bezwaren van
appellant tegemoet wordt gekomen.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het
geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad
bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek
gesloten.
Gedaagde heeft een nieuwe beslissing op bezwaar genomen omdat was
gebleken dat het bestreden besluit op arbeidskundige gronden geen stand
kon houden. Blijkens een bij het verweerschrift gevoegd rapport van de
bezwaararbeidsdeskundige van 9 januari 2003 mocht er geen schatting
plaatsvinden op de feitelijke verdiensten omdat appellant kort na de
datum waarop de wachttijd afliep zijn werkzaamheden heeft gestaakt. Een
theoretische schatting leverde geen voor appellant geschikte functies
op. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar is aan appellant medegedeeld dat
aan hem met ingang van 31 augustus 1999 een volledige WAZ-uitkering
wordt toegekend, dat zijn inkomsten over de periode 31 augustus 1999 tot
1 januari 2000 op de uitkering worden gekort en dat de uitkering vanaf 1
januari 2000 weer volledig wordt uitbetaald.
Nu het bestreden besluit door gedaagde is ingetrokken en namens
appellant een verzoek is gedaan om toepassing van artikel 8:73 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft appellant belang behouden bij een
vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit,
zodat de Raad daartoe zal overgaan.
Ingevolge 's Raads jurisprudentie dient het verzoek om toepassing van
artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen. Wat betreft de wijze
waarop gedaagde de aan appellant toekomende vergoeding, bestaande uit de
wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen,
volstaat de Raad te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995,
gepubliceerd in JB 1995/314.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in
eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger
beroep, in totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is
aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van mr. A.
Westerink-Hendriks als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9
november 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A. Westerink.
|
|