|
Uitspraak
02/6372
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. H.B.P. Verheijden, werkzaam bij de Stichting
Rechtsbijstand te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift met bijlagen
aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank
Breda onder dagtekening 4 november 2002 tussen partijen gewezen
uitspraak, geregistreerd onder nummer 02/1100 WAZ.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.
Bij brief van 26 juli 2004 heeft mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij de
Stichting Rechtsbijstand te Roermond, zich als opvolgend gemachtigde van
appellant gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 september 2004,
waar appellant met voorafgaand bericht in persoon noch bij gemachtigde
is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.H.K. Pouwelse,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant heeft zich op 23 oktober 1997 wegens rugklachten, linker
knieklachten en psychische klachten arbeidsongeschikt gemeld voor zijn
werkzaamheden als zelfstandig tomatenkweker. Gedaagde heeft appellant
met ingang van 22 oktober 1998 in aanmerking gebracht voor een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ),
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Naar
aanleiding van een linker onderbeenoperatie is appellants uitkering met
ingang van 18 september 1999 verhoogd naar de klasse 80 tot 100%.
Bij primair besluit van 6 september 2000, zoals in bezwaar gehandhaafd
bij het bestreden besluit van 6 mei 2002, heeft gedaagde de uitkering
van appellant met ingang van 5 juni 2000 weer herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Blijkens de aan die besluitvorming ten grondslag liggende
verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten is gedaagde
daarbij ervan uitgegaan dat appellant nog in staat is om met diverse, in
het bijzonder knie- en rugsparende, loondienstfuncties een zodanig loon
te verwerven dat ten opzichte van zijn maatgevende inkomen sprake is van
een tot indeling in evenvermelde klasse leidend verlies van
verdiencapaciteit.
Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld, heeft
appellant in beroep tegen het bestreden besluit, samengevat weergegeven,
aangevoerd dat gedaagde onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn
cervicale hernia en psychische klachten. De rechtbank heeft met
betrekking tot de medische bezwaren van appellant het volgende overwogen
en geoordeeld:
“Op grond van de stukken moet naar het oordeel van de rechtbank worden
aangenomen dat de verzekeringsartsen bij eiser niet te geringe medische
beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van
de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiser
gestelde klachten, waaronder rug-, knie- en psychische klachten. De door
eiser overgelegde informatie geeft geen aanleiding tot twijfel aan de
bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij in
aanmerking genomen dat uit de brief van neuroloog Beljaars van 18 april
2001 kan worden afgeleid dat eiser zich eerst op 5 maart 2001 bij hem
heeft gemeld vanwege een alsdan drie maanden durende pijn in de nek. Na
onderzoek is destijds gebleken dat er bij eiser sprake is van een
cervicale hernia op niveau C5-6 en C6-7. Dit impliceert derhalve dat op 5 juni 2000 (datum geding) eiser nog onbekend was met de cervicale
herniaklachten en hiervan op deze datum nog geen uit pijn voortkomende
belemmeringen ondervond, zodat verweerder in bezwaar op goede gronden
geen rekening heeft gehouden met de beperkingen voortvloeiend uit deze
klachten. Overigens merkt de rechtbank op dat de klachten zoals verwoord
in de brief van neuroloog Beljaars d.d. 18 april 2001 aanleiding kunnen
vormen voor eiser om zich tot verweerder te wenden ter beoordeling of
zijn mate van arbeidsongeschiktheid op een latere datum is
gewijzigd.”
Aangezien de rechtbank zich ook overigens, wat betreft de bij de
schatting als voor appellant als passende arbeidsmogelijkheden in
aanmerking genomen functies en wat betreft de vastgestelde mate van
arbeidsongeschiktheid, kon verenigen met het bestreden besluit, heeft de
rechtbank het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar van enkele
behandelaars afkomstige verslagen en rapporten, in de eerste plaats doen
aanvoeren dat gedaagdes verzekeringsartsen onvoldoende op de hoogte
waren van zijn psychische klachten. Verder heeft hij naar voren doen
brengen dat hij reeds in 1998, en derhalve ook op de datum in geding,
lijdende was aan de gevolgen van de nekhernia.
Deze grieven slagen niet. De Raad kan zich vinden in het van de zijde
van gedaagde bij monde van de bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger
geleverde commentaar met betrekking tot appellants psychische klachten,
zoals vervat in diens als bijlage bij het verweerschrift gevoegde
rapport van 17 februari 2002. In dat commentaar is aangegeven dat uit de
meegezonden verslagen en rapporten, betrekking hebbende op de door
appellant voor die klachten ondergane behandeling, naar voren komt dat
bij appellant sprake is geweest van een tijdelijk psychisch
onwelbevinden op basis van acceptatieproblematiek, samenhangend met het
niet meer ten volle kunnen verrichten van de eigen werkzaamheden. Uit de
stukken valt, aldus Logger, op te maken dat er geen sprake is van
psychopathologie in enge zin. Er heeft ook slechts een geringe
psychotherapeutische interventie plaatsgevonden en appellant heeft zich
snel hervonden. De Raad heeft, gelet op de beschikbare medische gegevens
en mede in aanmerking genomen de hiervoor bedoelde verslagen en
rapporten van appellants behandelaars, geen enkel aanknopingspunt om
evenvermelde beschouwing van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts en de
daaraan ontleende conclusie dat er bij appellant ten tijde hier van
belang geen sprake was van enige wezenlijke beperking op het psychische
vlak, voor onjuist te houden.
Voorts staat ook voor de Raad, in navolging van de rechtbank, genoegzaam
vast dat de nekhernia van appellant nog geen rol speelde op de datum in
geding. De enkele stelling van appellant dat zulks anders is, welke niet
aan de hand van enig concreet medisch gegeven is onderbouwd, vermag ook
de Raad in het licht van de uit het dossier blijkende medische gegevens,
niet te overtuigen. De Raad kan zich volledig stellen achter de hiervoor
geciteerde overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de
rechtbank.
De Raad is aldus van oordeel dat gedaagde bij het nemen van het
bestreden besluit de beperkingen van appellant niet onjuist heeft
gewaardeerd. Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht heeft
aangenomen dat appellant op de datum in geding in staat was tot het
verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de bij de schatting in
aanmerking genomen functies.
Nu de Raad ten slotte ook overigens, in het licht van artikel 8:69 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen aanleiding heeft om het
bestreden besluit rechtens niet juist te achten, dient de aangevallen
uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard,
te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|