|
Uitspraak
02/4891
WAZ en 03/1697 WAZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 15 augustus 2000 heeft gedaagde geweigerd appellant met
ingang van 3 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen
onder de overweging dat appellant met ingang van 3 mei 2000 minder dan
25% arbeidsongeschikt was.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. Y. de Froe, werkzaam bij
ARAG Rechtsbijstand te Leusden, namens appellant gemaakte bezwaar bij
besluit van 10 december 2001 (hierna: besluit 1) gegrond verklaard en
vastgesteld dat appellant met ingang van 3 mei 2000 wordt ingedeeld in
de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
De rechtbank Roermond heeft het door de gemachtigde van appellant
ingestelde beroep tegen besluit 1 bij uitspraak van 6 augustus 2002,
procedurenr. 02/123 WAZ K1, (hierna: uitspraak 1) ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift
aangegeven gronden tegen uitspraak 1 hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft onder overlegging van een aantal bijlagen van verweer
gediend.
Gedaagde heeft bij besluit van 13 augustus 2002 (hierna: besluit 2)
ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12
april 2002, houdende in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid met
ingang van 11 mei 2001 herziening van de WAZ-uitkering van appellant met
ingang van 10 mei 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100% en op basis van een grondslag van 55,48 bruto per dag.
De rechtbank Roermond heeft het door de gemachtigde van appellant
ingestelde beroep tegen besluit 2 bij uitspraak van 21 februari 2003,
procedurenr. 02/1019 WAZ K1 (hierna: uitspraak 2), ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven
gronden tegen uitspraak 2 hoger beroep ingesteld, waarna gedaagde van
verweer heeft gediend.
De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 20 januari 2004 in
beide gedingen een ongedateerde verklaring van de orthopedisch chirurg
drs. L. Fabry en een brief van J.C.M. van Helden, de huisarts van
appellant, van 6 maart 2003 ingezonden, waarop gedaagde bij brief van 22
januari 2004 heeft gereageerd. Bij brief van 19 juli 2004 heeft de
gemachtigde van appellant een door Fabry op 15 juli 2004 gedateerd
exemplaar van zijn verklaring ingezonden.
De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 21 oktober 2004 in
beide gedingen aanvullende beroepsgronden ingestuurd.
De gedingen zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting
van de Raad op 2 november 2004, waar partijen - met kennisgeving - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad zal eerst het hoger beroep van appellant tegen uitspraak 1
bespreken en vervolgens ingaan op het hoger beroep tegen uitspraak 2.
Het hoger beroep tegen uitspraak 1
Aan uitspraak 1 en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende
voor zijn oordeelsvorming met betrekking tot het hoger beroep van
appellant van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant was werkzaam als zelfstandig hovenier/boomkweker, toen hij op
5 mei 1999 als gevolg van een ongeval gedeeltelijk uitviel wegens knie-
en rugklachten, spanningen en psoriasis. De verzekeringsarts P.H.H.M.
Genders heeft appellant op 17 maart 2000 onderzocht en blijkens zijn
rapport van dezelfde datum restklachten aan de linkerknie, met name ten
aanzien van knielen, kruipen en hurken, vastgesteld. Voorts stelde
Genders vast dat de rug- en spanningsklachten van tijdelijke aard waren,
dat er bij het onderzoek van de rug geen afwijkingen waren en dat de
psoriasis niet van invloed was op de arbeidsmogelijkheden van appellant.
Genders legde zijn bevindingen vast in het Fis-formulier van 17 maart
2000, dat uitwerking vond in het belastbaarheidspatroon van 22 mei 2000.
Aan de hand van een en ander en op basis van de
arbeidsmogelijkhedenlijst van eveneens 22 mei 2000 selecteerde de
arbeidsdeskundige H.W. Pluijmen blijkens zijn rapport van 22 juni 2000
een aantal functies en berekende hij, uitgaande van een omvang van de
maatmanfunctie van 70 uur per week en op basis van de middelste van de
drie hoogst verlonende functies, dat er een verlies aan
verdiencapaciteit van minder dan 25% was. Vervolgens nam gedaagde het
primaire besluit van 15 augustus 2000.
In de bezwaarprocedure is in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden van 16 oktober 2001, waarin ook het
verslag van het medisch gedeelte van de hoorzitting van 16 oktober 2001
is verwerkt, aangegeven dat de rugklachten van appellant begin maart
2001 na een rustige winterperiode zijn verergerd, dat appellant in
verband met deze verergering op 11 mei 2001 volledig uitviel, dat na
verwijzing door de huisarts naar de neuroloog een flinke hernia met
uitstulping werd vastgesteld en dat appellant thans herstellende is van
een operatie op 22 juni 2001.
Van Kasteren-Van Delden, die de beoordeling door Genders op zich
onderschreef, zij het met een aanpassing van het belastbaarheidspatroon
vanwege de leeftijd e.d. van appellant, concludeerde in de toegenomen
rugklachten en het vervolg daarop geen aanleiding te zien om terug te
komen op het feit dat Genders op 17 maart 2000 geen stoornissen aan de
rug heeft geobjectiveerd dan wel dat er op de datum in geding bij
besluit 1 geen beperkingen ten aanzien van de rugbelasting zijn
aangenomen.
Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige M. Jansen blijkens het
rapport van 23 november 2001 naar aanleiding van de bezwaren van
appellant de omvang van de maatmanfunctie nader vastgesteld op 60 uur
per week. Bij deze correctie heeft Jansen aangegeven dat niet alleen
uitvoerende werkzaamheden, zoals appellant stelde, maar ook activiteiten
als administratie, acquisitie, leiding geven e.d. in aanmerking moeten
worden genomen. Vervolgens berekende hij met inachtneming van bedoelde
correctie en na vervanging van de functie vertegenwoordiger in verband
met de opleidingseis door de functie hovenier het verlies aan
verdienvermogen op 36,27%, waarna gedaagde besluit 1 nam.
De rechtbank heeft in uitspraak 1 de medische grondslag van besluit 1
onderschreven en heeft naar aanleiding van de door appellant gestelde
toename van de rugklachten in 2001 overwogen dat appellant niet
aannemelijk heeft gemaakt dat reeds eerder sprake was van ernstig
ruglijden. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1
overwoog de rechtbank ten aanzien van de omvang van de maatmanfunctie
dat appellant in zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering en
bij het onderzoek van Pluijmen in de primaire fase van de besluitvorming
zelf heeft aangegeven gedurende 70 uur per week te werken en dat Jansen
in de bezwaarfase op grond van de door appellant naar voren gebrachte
argumenten de omvang van de maatmanfunctie gemotiveerd heeft vastgesteld
op 60 uur per week. Ten aanzien van de grief van appellant dat gedaagde
bij het nemen van besluit 1 is uitgegaan van een onjuist fiscaal
winstbegrip overwoog de rechtbank als volgt:
In navolging van de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep
(zie bijvoorbeeld CRvB 20 februari 2001, USZ 2001/1001 en CRvB 17
augustus 1993, RSV 1993/298) is de rechtbank van oordeel dat bij de
bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige, voor de gevallen
waarin dat praktisch mogelijk is, steeds als uitgangspunt moet worden
genomen de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de drie boekjaren
voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Uitgaande
van de nettowinst ziet de rechtbank mede gelet op de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 2 januari 2002, RSV 2002/102 geen grond de
investeringsaftrek alsmede de door eiser gemaakte kosten in verband met
de pachtontbindingsprocedures buiten beschouwing te laten. Ook is geen
sprake van een zodanige bijzondere omstandigheid dat een ander oordeel
in overweging genomen zou moeten worden.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in rubriek I van
de uitspraak vermelde rapporten van Fabry en Van Helden overgelegd.
Hierin heeft de Raad evenwel geen aanknopingspunten gezien de medische
grondslag van besluit 1 en het oordeel van de rechtbank daarover voor
onjuist te houden.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 ziet de Raad in de
eerste plaats, mede in het licht van zijn ook door de rechtbank vermelde
uitspraak van 13 maart 1996 (RSV 1996,158) inzake de betekenis van de
aanvankelijk door de zelfstandige verstrekte gegevens en de vereisten
voor een afwijking daarvan nadien, geen aanleiding om ten aanzien van de
omvang van de maatmanfunctie tot een ander oordeel te komen dan de
rechtbank heeft gegeven. Ten aanzien van de vaststelling van het
maatmaninkomen overweegt de Raad dat appellant zijn in eerdere fasen van
de procedure ingebrachte standpunt ten aanzien van het in aanmerking te
nemen fiscaal winstbegrip ook in hoger beroep heeft gehandhaafd en
nogmaals in zijn bij brief van 21 oktober 2004 overgelegde pleitnota
uitvoerig heeft toegelicht. In de beschouwingen van de gemachtigde van
appellant omtrent onder andere de naar zijn mening in de
belastingwetgeving te onderscheiden begrippen winstbepaling en
winstbestemming ziet de Raad geen aanleiding zijn ook door de rechtbank
vermelde, onder de werking van de voorheen geldende Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet ontwikkelde en blijkens zijn uitspraak van 28
november 2001 (USZ 2002,26) ook onder de werking van de op de datum in
geding geldende WAZ voortgezette jurisprudentie inzake de onder andere
bij de vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige aan te
houden uitgangspunten te verlaten. De Raad tekent daarbij aan dat in
deze jurisprudentie de door de betrokkene gemaakte en binnen de door de
belastingswetgeving aangegeven grenzen vallende keuzen in beginsel
worden gevolgd. Van bijzondere omstandigheden om in dit geval in hiervan
afwijkende zin te oordelen ten aanzien van de door de gemachtigde van
appellant vermelde post investeringsaftrek en kosten van
pachtontbindingsprocedures, welke door appellant in de jaren 1996, 1997
en 1998 onderscheidenlijk alleen 1998 - zijnde de in dit geval de voor
de vaststelling van het maatmaninkomen in aanmerking te nemen boekjaren
- ten laste van de fiscale winst zijn gebracht, is ook de Raad niet
gebleken.
Uit al het vorenstaande volgt dat uitspraak 1 dient te worden bevestigd.
Het hoger beroep tegen uitspraak 2
Bij besluit 2 is gehandhaafd het primaire besluit van 12 april 2002,
waarbij is vastgesteld dat appellant met ingang van 11 mei 2001
toegenomen arbeidsongeschikt is geworden, na ommekomst van de wachttijd
van 52 weken zijn WAZ-uitkering met ingang van 10 mei 2002 is herzien
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en de hoogte van
de aldus herziene uitkering is bepaald aan de hand van de maximum
grondslag.
De Raad stelt vast dat de medische bezwaren van appellant tegen besluit
2 uitsluitend verband houden met zijn opvatting dat de rugklachten,
welke voor gedaagde aanleiding hebben gevormd tot het aannemen van
toegenomen arbeidsongeschiktheid, hun oorsprong vinden in het appellant
overkomen ongeval op 4 mei 1999, zodat voor hem een wachttijd van 4
weken zou moeten aangehouden.
Met betrekking tot deze bezwaren overweegt de Raad als volgt.
Naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van
appellant heeft Genders - na onderzoek op 11 december 2001 en na
ontvangst van informatie van de huisarts Schilderman - in zijn rapport
van 5 februari 2002 vastgesteld dat de toename van de
arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 11 mei 2001 door een
verergering van de rugklachten voortvloeit uit een nog niet bekende
aandoening en dat de wachttijd derhalve 52 weken bedraagt. Van
Kasteren-Van Delden heeft in de bezwaarprocedure de beoordeling van
Genders gehandhaafd. In haar rapport van 9 juli 2002 heeft zij daarvoor
een uitvoerige onderbouwing gegeven.
De rechtbank heeft in uitspraak 2 de kern van deze onderbouwing
letterlijk aangehaald en heeft onder verwijzing naar de rapporten van
Genders en Van Kasteren-Van Delden geconcludeerd dat de rugklachten van
appellant niet voortkomen uit dezelfde oorzaak als die waarvoor hij
reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering geniet, zodat de wachttijd ter
zake van de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant in verband
met die rugklachten niet op de voet van artikel 16, eerste lid, van de
WAZ 4 weken bedraagt.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verwijst daartoe
in de eerste plaats naar het rapport van Van Kasteren-Van Delden. De
door de rechtbank uit dit rapport aangehaalde passage houdt - samengevat
weergegeven - in dat de rugklachten van tijdelijke aard niet bepalend
zijn geweest voor de arbeidsmogelijkheden van appellant met ingang van 3
mei 2000 - de datum waarop besluit 1 betrekking had - en dat de
rugklachten, waarmee appellant zich op 11 mei 2001 toegenomen
arbeidsongeschikt heeft gemeld, ook los staan van de knieklachten
waarvoor appellant met ingang 3 mei 2000 uitkering ontving. Mede gelet
op de rechtspraak, die de Raad inmiddels gevormd heeft ten aanzien van
de artikelen 39a en 43a van de WAO, zoals blijkt uit zijn uitspraak van
11 december 2001 (USZ 2002,27), en ten aanzien waarvan de Raad geen
aanleiding ziet deze niet van betekenis te achten voor artikel 16 van de
WAZ, heeft de Raad in het door de gemachtigde van appellant op 19 juli
2004 overgelegd rapport van Fabry geen aanknopingspunten voor een ander
oordeel gevonden. Ook indien op basis van dit rapport enig verband
tussen de rugklachten van appellant ten tijde van zijn uitval op 5 mei
1999 en de hernia in verband waarmee appellant op 11 mei 2001 is
uitgevallen en waarvoor hij in juni 2001 is geopereerd niet uitgesloten
zou moeten worden geacht, dan nog kan er immers niet aan worden
voorbijgezien dat aan de bij besluit 1 toegekende WAZ-uitkering met
ingang van 3 mei 2000 geen beperkingen ten gevolge van die rugklachten
ten grondslag hebben gelegen en dat er geen oorzakelijk verband bestond
tussen die rugklachten en de op die datum aangenomen beperkingen ten
gevolge van de eveneens bij de uitval op 5 mei 1999 aan de orde zijnde
knieklachten.
Wat betreft de arbeidskundige bezwaren tegen besluit 2, welke dezelfde
zijn als de bezwaren van deze aard tegen besluit 1, is de Raad van
oordeel dat appellant geen procesbelang heeft bij de beoordeling
daarvan. Bij besluit 2 is immers gehandhaafd de herziening van zijn
WAZ-uitkering naar een mate arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en op
basis van de maximale grondslag.
Uit het vorenstaande volgt dat ook uitspraak 2 dient te worden
bevestigd.
De Raad heeft naar aanleiding van de behandeling van de onderhavige
hoger beroepen geen aanleiding gezien tot veroordeling van een partij in
de proceskosten van een andere partij.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de uitspraken 1 en 2.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|