|
Uitspraak
02/5801
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft B.W.M. Mulder, belastingadviseur te Berghem, op
bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de
rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 2002 (reg.nr. AWB 01/1567),
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 september 2004,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door Mulder,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
A.J.J.A.M. Spapens werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en
gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
“Eiser is vanaf juni 1992 werkzaam als zelfstandige in een
paardenmelkerij. Op 19 juni 1997 is hem een bedrijfsongeval overkomen.
Bij besluit van 25 november 1998 heeft verweerder eiser ingaande 18 juni
1998 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 30
december 1999 is de arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op
80-100%.
Bij besluit van 22 februari 2000 heeft verweerder eiser medegedeeld dat
de WAZ-uitkering van eiser gedurende de periode van 18 juni 1998 tot en
met 31 december 1998 op nihil gesteld wordt in verband met verdiensten
over het jaar 1998.
Bij schrijven van 22 maart 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit
besluit.
Bij besluit van 21 mei 2001 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond
verklaard.
Namens eiser is tegen dit besluit beroep ingesteld.”
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft
appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij zich niet kan verenigen met
de vaststelling van het maatmaninkomen, namelijk het gemiddelde van de
door de fiscus aanvaarde nettowinst over de jaren 1994, 1995 en 1996, geïndexeerd
over de periode van 1 juli 1998 tot en met 31 december 1998. Appellant
stelt zich op het standpunt dat het door gedaagde berekende
maatmaninkomen niet representatief is, omdat hij een startende
ondernemer is, rekening dient te worden gehouden met een wijziging in de
waardering van de veestapel in 1996 en er sprake is van stille reserves
in paarden over de jaren 1994, 1995 en 1996.
De Raad die zich beperkt tot het geschilpunt in deze zaak, namelijk of
gedaagde het maatmaninkomen op juiste wijze heeft vastgesteld, kan zich
volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich
daarmee. Kort samengevat komen die overwegingen erop neer dat bij de
bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige als uitgangspunt
dient te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste
drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid en dat
voor een afwijking van dit uitgangspunt en/of voor een relativering van
deze periode in de situatie van appellant geen gronden aanwezig zijn.
Met toekomstige ontwikkelingen in het inkomen van de maatman kan in dit
geval geen rekening worden gehouden, omdat die niet met een redelijke
mate van zekerheid te verwachten zijn.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 december
2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|