|
Uitspraak
03/1173
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand
te Leusden, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Breda onder dagtekening 14 januari
2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer
02/395 WAZ.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Daarop is namens appellant gereageerd bij schrijven van 22 oktober 2003
met bijlage, waarop door gedaagde commentaar is geleverd bij brief van
21 november 2003.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 november 2004, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bol, voornoemd,
en waar namens gedaagde is verschenen J. Aarts, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 10 juli 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een
uitkering toe te kennen ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat
hij, uitgaande van een op 10 januari 2000 ingetreden
arbeidsongeschiktheid, niet als verzekerd in de zin van die wet kan
worden aangemerkt. Bij besluit van 17 januari 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het door
appellant tegen het besluit van 10 juli 2001 gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard, onder nadere vaststelling van de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag op 25 mei 2000.
Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat appellant zich ter
verkrijging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering door middel van een
door hem op 23 februari 2001 ondertekend formulier bij gedaagde heeft
gemeld. Op dat formulier heeft appellant aangegeven dat hij op 13 mei
1999 arbeidsongeschikt is geworden voor zijn werkzaamheden ten behoeve
van het assurantiekantoor [naam B.V.], van welke vennootschap appellants
zoon sedert 2 februari 1999 enig aandeelhouder is. Gedaagde gaat ervan
uit dat appellant vanaf mei 1999 in het geheel geen inkomensvormende
werkzaamheden ten behoeve van genoemde BV - noch overigens anderszins -
meer heeft verricht, zodat hij op 25 mei 2000, de dag waarop volgens
nader standpunt van beide partijen de arbeidsongeschiktheid van
appellant een aanvang heeft genomen, appellant niet kan worden
aangemerkt als verzekerd in de zin van de WAZ.
Appellant is het oneens met evenvermeld uitgangspunt van gedaagde dat
hij sedert mei 1999 niet meer heeft gewerkt. Hij stelt zich op het
standpunt dat hij nog wel heeft gewerkt, namelijk vanaf 15 mei tot 25
mei 2000 in een omvang van 2 uur per dag en 10 uur per week.
De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen met partijen uit te
gaan van 25 mei 2000 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Voorts heeft de
rechtbank overwogen dat, gegeven het bepaalde in het eerste lid van
artikel 7 van de WAZ, voor de beantwoording van de vraag of appellant
met ingang van 25 mei 2001 recht heeft op een WAZ-uitkering - naast de
vraag of de arbeidsongeschiktheid na 25 mei 2000 onafgebroken 52 weken
heeft geduurd en na afloop van dat tijdvak voortduurt - van belang is of
appellant op 25 mei 2000 verzekerd was op grond van de WAZ en of hij in
de 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan die dag arbeid in het bedrijfs-
of beroepsleven heeft verricht, gericht op het verwerven van winst of
inkomsten.
Ten aanzien van dit laatste heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat
niet aannemelijk is geworden dat appellant gedurende de hiervoor
bedoelde referteperiode van 52 weken arbeid heeft verricht. Voor zover
al aannemelijk zou zijn geworden, aldus de rechtbank, dat hij met ingang
van 15 mei 2000 10 uren per week heeft gewerkt - hetgeen gedaagde
betwist - dan kan op grond hiervan niet worden geconcludeerd dat
appellant aan de vorenbedoelde 52-weken-eis voldoet. Hij zou in dat
geval immers hooguit slechts 10 dagen gedurende 2 uur hebben gewerkt.
Niet aannemelijk is volgens de rechtbank dat hij van 25 mei 1999 tot 15
mei 2000 heeft gewerkt. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen
dat appellant tijdens de hoorzittingen heeft verklaard dat hij na 13 mei
1999 niet meer heeft gewerkt. Bovendien staat vast, aldus de rechtbank,
dat appellant van 13 mei 1999 tot en met 12 mei 2000 ziekengeld heeft ontvangen uit hoofde
van een particuliere verzekering. De omstandigheid dat appellant op een
aanvraagformulier voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW)
heeft aangegeven dat hij tot 12 mei 2000 volledig werkte, moet naar het oordeel van de rechtbank
worden gezien in het licht van de vraag of er een dienstverband bestond.
Hetgeen op dat formulier is vermeld is naar de zienswijze van de
rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat appellant
daadwerkelijk arbeid, gericht op het verwerven van inkomen, heeft
verricht. Dit zou immers in tegenspraak zijn met de verstrekte
particuliere ziekengelduitkering.
De rechtbank heeft in het midden gelaten of appellant al dan niet als
verzekerde kan worden beschouwd in de zin van de artikelen 3 tot en met
6 van de WAZ, daarbij overwegende dat, ook indien zulks wel zou moeten
worden aangenomen, aan het toekennen van een WAZ-uitkering in de weg
staat dat appellant niet gedurende de referteperiode van 52 weken arbeid
heeft verricht, gericht op het verwerven van winst of inkomsten, als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de WAZ.
Appellant houdt in hoger beroep staande dat hij vanaf 15 mei 2000 tot 25
mei 2000 gedurende 10 uur per week werkzaamheden heeft verricht en
daarvoor inkomsten heeft ontvangen, in welk verband hij verwijst naar
enkele reeds in beroep overgelegde stukken, te weten een loonlijst over
het tijdvak van 15 mei tot en met 24 mei 2001, een brief van 10 april
2000 van de Arbeidsvoorziening Midden en West Brabant, houdende een
beslissing tot verlening van een ontslagvergunning van appellant aan
voornoemde BV, alsmede een werkbriefje WW, betrekking hebbende op het
tijdvak van 15 mei tot 28 mei 2000. Hieruit blijkt volgens appellant dat hij ten tijde van de
aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid op 25 mei 2000 was te beschouwen
als beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 3, eerste lid, onder b
juncto artikel 5 van de WAZ en dat hij uit dien hoofde op dat moment wel
verzekerd was in de zin van die wet.
Voorts kan appellant de rechtbank niet volgen in haar stelling dat hij
gedurende 52 weken voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag
arbeid moet hebben verricht om in aanmerking te kunnen komen voor een
WAZ-uitkering. Voldoende is volgens appellant dat er in bedoelde 52
weken arbeid is verricht, aan welke voorwaarde hij in verband met
meergenoemde arbeidsverrichting in het tijdvak van 15 mei tot 25 mei
2000 heeft voldaan.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat de laatst weergegeven grief
van appellant terecht is voorgedragen. De opvatting van de rechtbank dat
in artikel 7 van de WAZ als voorwaarde is opgenomen dat gedurende de
gehele in die bepaling vermelde referteperiode van 52 weken,
onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is
getreden, arbeid moet zijn verricht, is onjuist. Volgens de bewoordingen
van artikel 7 is voldoende dat er in bedoelde referteperiode arbeid in
de zin van die bepaling is verricht, gelijk het in het kader van - het
als voorganger van dat artikel te beschouwen - artikel 6 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet voldoende was dat (enig) inkomen was verworven
in de referteperiode van 52 weken.
Het vorenoverwogene kan appellant evenwel niet baten, daar de Raad van
oordeel is dat niet aannemelijk is dat hij vanaf 13 mei 1999 nog
inkomensvormende werkzaamheden heeft verricht. De Raad kent hierbij in
het bijzonder belang toe aan hetgeen appellant dienaangaande zelf heeft
verklaard op het eerder vermelde aanvraagformulier van 23 februari 2001 alsmede tijdens de hoorzitting op 7 januari 2002. Op
dat aanvraagformulier heeft appellant de vraag (vraag 15.1) of hij na
het begin van zijn arbeidsongeschiktheid - en appellant stelde de
aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid blijkens zijn antwoord op vraag 4
toen nog op 13 mei 1999 - nog werkzaamheden is blijven verrichten,
zonder meer ontkennend beantwoord. Blijkens het verslag van de
hoorzitting op 7 januari 2002 is aan appellant tijdens die zitting
wederom de vraag voorgelegd of hij sedert mei 1999 nog heeft gewerkt
en/of inkomsten heeft gehad, welke vraag appellant wederom zonder meer
aldus heeft beantwoord dat hij een arbeidscontract had sedert begin 1999
en dat hij sedert mei 1999 niet meer heeft gewerkt en geen inkomsten
meer heeft gehad vanuit de BV van zijn zoon.
Mede gelet op het belang dat volgens vaste rechtspraak van de Raad
toekomt aan dergelijke tegenover een functionaris van gedaagde of op
andere wijze jegens het uitvoeringsorgaan afgelegde eerste verklaringen,
is de Raad van oordeel dat appellant er met zijn nadere
standpuntbepaling niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat die
eerdere verklaringen, als hiervoor weergegeven, onjuist zijn en dat hij,
anders dan volgens die verklaringen, toch ook nog heeft gewerkt van 15
tot 25 mei 2000. De door appellant desgevraagd ter zitting verstrekte
toelichting dat hij met die verklaringen slechts heeft bedoeld aan te
geven dat hij niet heeft gewerkt in de 52 weken te rekenen vanaf 13 mei
1999, acht de Raad niet overtuigend, nu de hem op het aanvraagformulier
en tijdens de hoorzitting voorgelegde vragen een dergelijke clausulering
niet bevatten en overigens niet voor misverstand vatbaar waren.
Aan de stukken waarop appellant zich beroept, als hiervoor vermeld, kan
evenmin het belang worden gehecht dat appellant daaraan toegekend wenst
te zien, nu de daarin voorkomende gegevens inzake het nog gewerkt hebben
door appellant gedurende de periode van 15 tot 25 mei 2000 uitsluitend
afkomstig zijn van appellant zelf dan wel berusten op door hem
verstrekte informatie. Er heeft door de arbeidsvoorziening noch door de
fiscus enige (kenbare) weging plaatsgevonden van de eerdere door
appellant afgelegde verklaringen. Voorts is niet gebleken van andere
gegevens die steun verlenen aan de stellingen van appellant op dit punt.
De Raad is derhalve van oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit
terecht uitkering ingevolge de WAZ aan appellant heeft onthouden op de
grond dat hij ten tijde van intreden van zijn arbeidsongeschiktheid op
25 mei 2000 niet als verzekerde in de zin van die wet kan worden
aangemerkt.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het met
wijziging van de gronden waarop deze berust, voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|