|
Uitspraak
03/6198
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 24 oktober 2003, nr. AWB 02/2226, waarbij zijn
beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet tijdige betaling van
het griffierecht.
Bij aanvullend beroepschrift van 14 februari 2004 heeft drs. O.T.V.
Hendriks, directeur van Buro Hendriks te Nijmegen, de gronden van het
hoger beroep aangevoerd.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 10 maart 2004.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 12 november 2004. Partijen zijn niet verschenen,
gedaagde met bericht van verhindering.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft vastgesteld dat het griffierecht niet is betaald
binnen de termijn van vier weken, gesteld bij de op 23 oktober 2002 per aangetekende post verzonden brief van de griffier
van 22 oktober 2002. De rechtbank heeft voorts overwogen dat haar niet
is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan appellant
redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. De
door de gemachtigde van appellant aangevoerde argumenten hebben de
rechtbank niet tot het oordeel kunnen brengen dat het beroep als een
ontvankelijk beroep moet worden aangemerkt.
De gemachtigde van appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat de
rechtbank verwarring heeft gezaaid doordat de verschillende sectoren van
de rechtbank verschillend omgaan met de uitnodiging tot betaling van
griffierecht: in geval van niet betaling zendt de sector kanton een
aanmaning, terwijl de sector bestuursrecht meteen tot
niet-ontvankelijkverklaring overgaat.
De door de rechtbank Arnhem gevolgde werkwijze wijkt voorts af van de in
de Van Wijk/Konijnenbelt, Hoofdstukken van Bestuursrecht, beschreven
praktijk, die inhoudt dat in geval van niet betaling een
betalingsherinnering wordt verzonden.
De gemachtigde van appellant acht onverkorte handhaving van de
aangevallen uitspraak bovendien in strijd met het in artikel 6 van het
EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter.
De gemachtigde van appellant heeft ten slotte nogmaals gewezen op een
(door hem overgelegde) uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, die
volgens hem (in een niet door hem overgelegde uitspraak) door de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gebillijkt is,
waaruit men kan concluderen dat de hoogste bestuursrechter van
Nederland, in afwijking van de wet, betaling van griffierecht niet als
een essentiλle vorm beschouwt voor de ontvankelijkheid van een zaak.
De Raad overweegt het volgende.
De brief van de griffier van 22 oktober 2002, met aangehechte
acceptgirokaart, per aangetekende post verzonden op 23 oktober 2002, bevat de volgende niet-ontvankelijkheidsclausule:
"WAARSCHUWING: Indien binnen 4 weken na de dag van verzending van
deze nota het verschuldigde bedrag niet is bijgeschreven op de
bankrekening van de rechtbank of is gestort ter griffie, wordt het
beroep niet-ontvankelijk verklaard."
De Raad kan niet anders oordelen dan dat de door de rechtbank Arnhem,
sector bestuursrecht, gevolgde handelwijze geheel in overeenstemming is
met artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Noch de omstandigheid dat een andere sector van diezelfde rechtbank (in
een niet door de Awb beheerste procedure) met betrekking tot de heffing
van griffierecht een andere gedraglijn volgt, noch de omstandigheid dat
andere gerechten eerst per gewone post een acceptgirokaart sturen en pas
in geval van niet-betaling per aangetekende post een tweede uitnodiging
tot betaling met niet-ontvankelijkheidsclausule, noch de omstandigheid
dat in een bestuursrechtelijk handboek een andere werkwijze wordt
beschreven, is toereikend om te kunnen zeggen dat redelijkerwijs niet
kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De
aangetekende brief van de griffier van 22 oktober 2002 laat immers aan
duidelijkheid niets te wensen over.
Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om het griffierecht tijdig
te betalen. Van belemmering van de toegang tot de rechter is dan ook
geen sprake.
De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat de door appellant
bedoelde uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage geen enkel
aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat een niet verschoonbaar te
late betaling van griffierecht niet tot niet-ontvankelijkheid zou kunnen
leiden.
Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|