|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/6169 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. L. Tuinman-ter Brugge, advocaat te Leeuwarden,
op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31
oktober 2002, nr. 00/761 WAZ, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft naar aanleiding van
een vraag van de Raad bij brief van 6 oktober 2004 enkele stukken aan de
Raad toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 december 2004, waar
appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door T. Hollander, werkzaam
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant, die laatstelijk werkzaam was als zelfstandig autohersteller,
-verhuurder en -verkoper, heeft op 3 juli 1999 aan gedaagde een
formulier “aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering” doen toekomen,
waarin hij aangaf sinds 1 oktober 1998 arbeidsongeschikt te zijn.
Blijkens de rapportage van de verzekeringsarts R.A. Hollander van 13
september 1999 was bij appellant sprake van klachten die leidden tot een
verminderde belastbaarheid voor arbeid. De registerarbeidsdeskundige J.H. Wierema kwam na raadpleging van het Functie Informatie Systeem
(FIS) tot de slotsom dat appellant in staat was tot het vervullen van de
functies van spuitgieter, enveloppenmachine bediende en
printplaatmonteur in welke functies geen sprake was van enig verlies aan
verdiencapaciteit. Bij besluit van 12 november 1999 heeft gedaagde
geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen op
de grond dat hij op en na 30 september 1999 minder dan 25%
arbeidsongeschikt is. Bij beslissing op bezwaar van 25 mei 2000, hierna
het bestreden besluit, heeft gedaagde het besluit van 12 november 1999
gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
ongegrond verklaard, overwegende dat de belastbaarheid van appellant per
30 september 1999 wat betreft de fysieke beperkingen door gedaagde niet
is overschat. Ter beoordeling van de psychische beperkingen van
appellant heeft de rechtbank de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort als
deskundige geraadpleegd. Naar aanleiding van diens bevindingen heeft
gedaagde de functie van printplaatmonteur laten vervallen, waarna
evenwel voldoende passende functies resteerden om de schatting op te
kunnen baseren.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten
onrechte de visie van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts heeft gevolgd
en onvoldoende rekening heeft gehouden met de bevindingen van de
behandelend psycholoog van appellant, drs. A. Bons. Verder heeft
appellant betoogd dat gedaagdes arbeidsdeskundige bij de beoordeling van
de mate van zijn arbeidsongeschiktheid er ten onrechte van is uitgegaan
dat hij in zijn eigen bedrijf 80 uur per week werkzaam was. Vóór het
hem in 1998 overkomen ongeval was hij namelijk druk bezig met de verbouw
van zijn bedrijfsruimten en zijn woonhuis, welke werkzaamheden geen
inkomen genereerden. Zijn werkelijke arbeidstijd zou niet meer dan 40
uur per week hebben omvat.
De Raad overweegt als volgt.
Appellant heeft bij een auto-ongeval op 1 oktober 1998 whiplashletsel
opgelopen. Voorts was bij hem sprake van een dystrofie van de linkerarm
als gevolg van hondenbeten. Ten behoeve van zijn oordeelsvorming heeft
de verzekeringsarts
R.A. Hollander inlichtingen gevraagd aan de neuroloog J.D.M. van der
Meulen, die appellant in februari 1999 had onderzocht in verband met
rug- en beenklachten. De voor appellant geldende beperkingen zijn door
de verzekeringsarts in een FIS-scoreformulier aangegeven. De
bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms zag in de tijdens de
bezwaarprocedure door appellant overgelegde medische gegevens, waaronder
brieven van 29 oktober 1999 en 20 januari 2000 van de klinisch
psycholoog drs. A. Bons, aanleiding aanvullende beperkingen aan te nemen
voor het gebruik van de nek, werken onder tijdsdruk, conflicterende
functie-eisen, conflicthantering en het dragen van
verantwoordelijkheden. De bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema
kwam tot de slotsom dat de belastbaarheid in de voor appellant
geselecteerde functies niet werd overschreden.
Namens appellant is tijdens de procedure in eerste aanleg een rapport
overgelegd van de psychiater prof. dr. M. Kuilman, die appellant in het
kader van een letselschadeprocedure op 6 oktober 2000 heeft onderzocht.
De rechtbank heeft vervolgens de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort als
deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft op
21 februari 2002 aan de rechtbank gerapporteerd, aangevuld bij schrijven
van 30 april 2002. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Storms heeft in de
bevindingen en conclusies van Van Zandvoort aanleiding gezien de functie
van printmonteur alsnog niet passend voor appellant te achten. De
rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de visie van haar
deskundige gevolgd.
De Raad ziet geen reden het oordeel van de rechtbank op dit punt voor
onjuist te houden. Dienaangaande merkt de Raad op dat volgens vaste
jurisprudentie in beginsel het oordeel van een door de bestuursrechter
geraadpleegde onafhankelijke deskundige wordt gevolgd. De Raad ziet geen
reden om in het onderhavige geval van dat beginsel af te wijken, nu de
deskundige Van Zandvoort blijkens zijn rapport uitdrukkelijk aandacht
heeft besteed aan de visie van de klinisch psycholoog drs. Bons (en van
de psychiater prof. dr. Kuilman) en die bij zijn oordeelsvorming heeft
meegewogen. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Storms heeft naar het
oordeel van de Raad in zijn commentaren van 18 maart 2002 en 21 mei 2002
op voldoende zorgvuldige wijze de voor appellant geselecteerde functies
getoetst aan de conclusies van Van Zandvoort. In hoger beroep heeft appellant geen nadere medische
gegevens in het geding gebracht die de Raad tot een andere zienswijze
zouden kunnen leiden.
Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting overweegt
de Raad dat, naar de Raad eerder heeft geoordeeld in - onder meer - zijn uitspraken gepubliceerd in
RSV 1996/158 en RSV 1997/283, een
zelfstandige kan worden gehouden aan de gegevens die hij aan de
arbeidsdeskundige omtrent de inhoud en omvang van zijn maatmanarbeid
heeft verstrekt. Appellant heeft zowel op het formulier “aanvraag
arbeidsongeschiktheidsuitkering” als in het gesprek met de
arbeidsdeskundige op 21 oktober 1999 verklaard gemiddeld 80 uur per week
in zijn bedrijf werkzaam te zijn. De Raad wijst er voorts op dat, indien
zou worden uitgegaan van een werkweek van 40 uur, evenmin sprake zou
zijn van een voor de toepassing van de WAZ relevante mate van
arbeidsongeschiktheid als gevolg van een andere reductiefactor.
Bij brief van 27 september 2004 heeft de Raad gedaagde, onder verwijzing
naar zijn uitspraak gepubliceerd in USZ 2001/41, verzocht toe te lichten
op welke grond enkele functies met de aanduiding “wisselende dienst”
aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. Gedaagde heeft daarop
geantwoord door inzending van een rapportage van de
bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot van 5 oktober 2004, waarin deze aangeeft dat even bedoelde
functies met wisselende diensten ten onrechte aan appellant zijn
voorgehouden. Aangezien echter als passende functies overblijven
inpakker, machinebediende, samensteller en kunststofbewerker, waarbij
ten opzichte van het maatmaninkomen geen verlies aan verdiencapaciteit
optreedt, berust het bestreden besluit ook in arbeidskundig opzicht op
een toereikende grondslag.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als
volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van M. Gunter
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2005.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M. Gunter.
|
|