|
Uitspraak
02/1736
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 12 september 2000 heeft gedaagde aan appellant met
ingang van 21 maart 2000 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 25
januari 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 5 februari 2002 (reg.nr.
01/127 WAZ) het tegen laatstgenoemd besluit (het bestreden besluit)
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. A.J.E. Riemslag, advocaat te Almelo, tegen
deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op bij aanvullend
beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden verzocht de aangevallen
uitspraak te vernietigen en gedaagde op te dragen een nieuw besluit te
nemen en te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger
beroep.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Desverzocht heeft de revalidatiearts P.C.Th. van Aanholt bij schrijven
van 30 december 2003 van verslag en advies gediend omtrent een aantal
bij de Raad gerezen vragen.
Appellant heeft bij brief van 12 januari 2004 gereageerd. Gedaagde heeft
dat gedaan bij brief van 22 januari 2004 (met bijlage), aangevuld bij
brieven van 31 maart 2004 (met bijlage) en 1 april 2004 (met bijlage).
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 november
2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Riemslag, voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden alsmede de van toepassing zijnde regelgeving
verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank, gelet op de gedingstukken
met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad
volstaat hier met de vermelding dat appellant, werkzaam als zelfstandig
horecaondernemer, wegens op 23 maart 1999 door knie- en rugklachten
ingetreden arbeidsongeschiktheid gedaagde heeft verzocht om toekenning
van een uitkering ingevolge de WAZ. Daarop zijn de in rubriek I vermelde
besluiten gevolgd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, daartoe doorslaggevende
betekenis toekennend aan het rapport van 6 december 2001 van de door
haar als deskundige geraadpleegde revalidatiearts P.C.Th. van Aanholt,
als haar oordeel gegeven (samengevat) dat de belastbaarheid van
appellant waarvan bij het bestreden besluit is uitgegaan, weliswaar
aanpassing behoeft en dat niet alle aan de
arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag gelegde functies door
appellant kunnen worden vervuld, maar dat desalniettemin voldoende
functies resteren om deze te kunnen dragen en dat gedaagde appellant
terecht 35 tot 45% arbeidsongeschikt heeft geacht.
In hoger beroep heeft appellant, onder overlegging van een brief van 11
april 2002 van de door hem in eerste aanleg al geraadpleegde
revalidatiearts G.D.H.J. van der Werf, aangevoerd dat voor hem met
inachtneming van de door de deskundige Van Aanholt vastgestelde
belastbaarheid onvoldoende geschikte functies zijn aan te wijzen.
Gedaagde heeft het in het bestreden besluit neergelegde standpunt
gehandhaafd onder overlegging van rapporten van de
bezwaarverzekeringsarts E. Khoe en de bezwaararbeidsdeskundige K. Smit.
De Raad heeft hierin aanleiding gevonden aan de door de rechtbank
geraadpleegde deskundige Van Aanholt nadere vragen te stellen met
betrekking tot de voor appellant geldende belastbaarheid ten tijde hier
in geding en diens geschiktheid om met inachtneming daarvan de
geselecteerde functies te vervullen. Bij rapport van 30 december 2003
heeft de deskundige vermeld dat hij zich in grote lijnen kan verenigen
met de belastbaarheid van appellant, zoals deze in hoger beroep door de
bezwaarverzekeringsarts Khoe is omschreven, maar dat deze op een
negental aspecten aanpassing behoeft. Voorts heeft de deskundige bij het
licht daarvan een aantal van de geselecteerde functies als ongeschikt
aangemerkt.
De Raad overweegt dat in het kader van de onderhavige schatting vijf
verschillende functiebestandcodes (Fb-codes) door de arbeidsdeskundige
zijn geselecteerd. De rechtbank heeft ten aanzien van de functie
metaalperserbediende (Fb-code 8364) in navolging van de deskundige Van
Aanholt als haar oordeel gegeven dat deze voor appellant niet geschikt
is, waarmee de bezwaarverzekeringsarts Khoe zich in zijn rapport van 6
juni 2003 heeft verenigd. Deze functie kan derhalve de schatting niet
dragen.
Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Raad voor de functie van
medewerker intern transport (Fb-code 9719). De deskundige Van Aanholt
heeft in zijn rapport van 30 december 2003 deze functie in verband met
het verplaatsen van karren van maximaal 800 kg voor appellant als
ongeschikt aangemerkt. De Raad volgt de deskundige daarin, nu deze
appellant, anders dan de bezwaarverzekeringsarts, voor duwen en trekken
beperkt heeft geacht en kennelijk niet de in eerste aanleg door de
bezwaarverzekeringsarts Wind geponeerde stelling deelt dat een
beperking voor duwen en trekken niet noodzakelijk is, omdat appellant
alleen al door zijn gewicht (ca 110 kg) bij duwen en trekken in staat
moet worden geacht een aanzienlijke kracht te ontwikkelen.
In de tot de Fb-code 3318 behorende functies van informant/kaartverkoper
is sprake van wisselende diensten met de daarbij behorende toeslagen
voor afwijkende arbeidstijden. De bezwaararbeidsdeskundige Smit heeft
bij rapport van 31 maart 2004 vermeld dat bij de vaststelling van het
maatmaninkomen van appellant geen toeslagen voor afwijkende
arbeidstijden zijn meegenomen. Gelet echter op het gegeven enerzijds dat
appellant gewoon was zijn arbeid op afwijkende arbeidstijden te
verrichten en anderzijds dat voor zelfstandigen de hier bedoelde
toeslagen onbekend zijn, heeft deze bezwaararbeidsdeskundige het
standpunt ingenomen dat deze functies op goede gronden zijn
geselecteerd.
De Raad ziet hierin onvoldoende reden om af te wijken van het bepaalde
in artikel 3, tweede lid, onder f, van het toepasselijke
Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, inhoudende dat functies met
toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten beschouwing blijven,
tenzij bij de vaststelling van het maatmaninkomen die toeslagen zijn
meegenomen. Van een uitzondering als bedoeld in onderdeel g van dit
artikellid is geen sprake.
Aldus komt de Raad tot de slotsom dat de schatting op (hooguit) twee
geschikte functies berust, hetgeen ingevolge artikel 4 van het
Schattingsbesluit een onvoldoende basis vormt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak waarbij
het bestreden besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in
aanmerking komt.
Gedaagde zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te
nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden in beroep begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en
in hoger beroep op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en op €
34,50 voor het door de revalidatiearts Van der Werf gegeven commentaar
van 11 april 2002, alsmede € 29,50 aan reiskosten voor het bijwonen
door appellant van de zitting van 26 november 2004.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 708,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 109,23,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. S.K. Welbedacht als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|