|
Uitspraak
03/1953
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep
gekomen van een door de rechtbank Alkmaar op 21 maart 2003 tussen
partijen gegeven uitspraak (reg.nr. WAZ 01/1829), waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 december
2004, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Knufman, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig garage- en pomphouder. Op
1 maart 1997 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen in verband met
onder meer heupklachten.
Bij besluit van 7 augustus 1998 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 1 maart 1998 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij
besluit van 3 maart 1999 heeft gedaagde deze uitkering met ingang van 18
april 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
De arbeidsdeskundige E.J. Kφster heeft op 18 april 2001, na
inkomensgegevens te hebben beoordeeld met betrekking tot de jaren 1998
en 1999, een tweetal rapporten uitgebracht. Hierin is vermeld dat
appellant in 1998 en 1999 werkzaamheden als zelfstandige is blijven
verrichten en dat, gezien de hoogte van de inkomsten die appellant
hiermee heeft verworven, de mate van arbeidsongeschiktheid over die
jaren moet worden gesteld op 25 tot 35%. Vervolgens is door gedaagde bij
besluit van 2 mei 2001 aan appellant meegedeeld dat zijn WAZ-uitkering
over het tijdvak 28 februari 1998 tot 1 januari 1999 wordt uitbetaald
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van
eveneens 2 mei 2001 heeft gedaagde bepaald dat de WAZ-uitkering van
appellant over het tijdvak 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 wordt
uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Het door appellant tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft gedaagde
bij besluit van 5 oktober 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond
verklaard.
In eerste aanleg heeft appellant aangevoerd dat door gedaagde in een
veel eerder stadium had kunnen worden vastgesteld dat te veel uitkering
is verstrekt. Verder heeft appellant naar voren gebracht dat hij
verkeerd is voorgelicht over de gevolgen van zijn verdiensten uit
zelfstandige activiteiten voor zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. In
dit verband heeft appellant erop gewezen dat hem bij brief van 18
februari 1999 door de arbeidsdeskundige A. van Ockenburg is meegedeeld
dat hij tot 79% van zijn maatmaninkomen kon bijverdienen, zonder dat dit
gevolgen zou hebben voor de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse
65 tot 80%.
De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft rechtbank in de
eerste plaats overwogen dat het bij een zelfstandige ten tijde van het
verwerven van inkomsten in de zin van artikel 58 van de WAZ veelal niet
dan wel onvoldoende duidelijk is hoe hoog dit inkomen is, waardoor
toepassing van deze bepaling op dat moment nog niet goed mogelijk is. De
rechtbank heeft er hierbij op gewezen dat in de regel toepassing van
artikel 58 van de WAZ achterwege wordt gelaten totdat op basis van een
jaarrekening of een vergelijkbaar boekhoudkundig stuk zekerheid is
verkregen over de hoogte van de inkomsten. Dit kan meebrengen dat
achteraf wordt vastgesteld dat te veel arbeidsongeschiktheidsuitkering
is uitbetaald. Volgens de rechtbank is dit aanvaardbaar indien de
betrokkene redelijkerwijs geacht moest worden kennis te dragen van het
feit dat zijn inkomsten van invloed zouden zijn op het recht op
uitkering.
Naar het oordeel van de rechtbank is appellant, nadat hem een
arbeidsongeschiktheidsuitkering was toegekend, een dermate hoog inkomen
uit zijn bedrijf blijven ontvangen, dat hij redelijkerwijs had kunnen
vermoeden dat dit van invloed zou kunnen zijn op zijn uitkering. Met
betrekking tot de door appellant aangehaalde mededeling uit de brief van
de arbeidsdeskundige van 18 februari 1999 heeft de rechtbank overwogen
dat deze mededeling een zo evidente vergissing is en zo strijdig is met
de rest van deze brief, dat appellant ofwel had kunnen begrijpen dat het
een kennelijke misslag betrof ofwel hierover navraag had kunnen doen bij
gedaagde, waarna deze mededeling rechtgezet had kunnen worden. Voorts
heeft de rechtbank erop gewezen dat het appellant uit de overige
correspondentie over de jaren 1998 en 1999 duidelijk had kunnen zijn dat
gedaagde tot nadere vaststelling van de WAZ-uitkering van appellant over
zou gaan indien de definitieve jaarstukken hiertoe aanleiding zouden
geven. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde hierbij
weliswaar voortvarender te werk had kunnen gaan, maar dat de trage
besluitvorming in dit geval geen aanleiding geeft voor het oordeel dat
geen nadere vaststelling meer kon plaatsvinden.
In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde grieven aangevoerd
als in eerste aanleg. Gedaagde heeft zich geschaard achter de
overwegingen van de rechtbank en heeft verzocht de aangevallen uitspraak
te bevestigen.
De Raad overweegt als volgt.
In de eerste plaats stelt de Raad vast dat, evenals in eerste aanleg,
het geschil beperkt is tot de vraag of gedaagde terecht met
terugwerkende kracht is overgegaan tot toepassing van artikel 58 van de
WAZ. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak hierover heeft overwogen en maakt de
desbetreffende overwegingen tot de zijne. Hetgeen appellant in hoger
beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander
oordeel geleid. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid
van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12
januari 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.P. Grauss.
|
|