|
Uitspraak
02/6180
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 5 november 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het
bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 2 april 2001 waarbij hij aan haar een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) heeft toegekend
per 31 januari 2000, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%
en gebaseerd op een grondslag van f 22,05 per dag.
Bij uitspraak van 30 oktober 2002, kenmerk AWB 01/1699 WAZ, heeft de
rechtbank Maastricht het beroep van appellante tegen het besluit van 5
november 2001 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij beroepschrift aangevoerde
en bij latere brieven aangevulde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 december
2004. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.A.
Severijn, advocaat te Woerden. Voor gedaagde is verschenen mr. B.
Drossaert, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de
grieven van appellante zijn toegespitst twee punten.
Ten eerste is appellante van mening dat de rechtbank, door in de
aangevallen uitspraak te oordelen dat er geen verlies aan
verdienvermogen is en dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid in het
kader van de WAZ lager is dan 25%, buiten de grenzen van het geschil is
getreden en dusdoende heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (inhoudende dat de rechtbank
uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde
stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter
zitting), immers, bij het bestreden besluit is de bij het primaire
besluit op 65-80% vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid
gehandhaafd en in beroep bij de rechtbank heeft appellante die mate niet
tot inzet van het geschil gemaakt.
De Raad deelt die mening van appellante, daar uit de gedingstukken en
het verhandelde ter zitting van de rechtbank niet kan blijken van nieuw
gebleken feiten of omstandigheden op grond waarvan gedaagde bevoegd en
verplicht zou zijn het bestreden besluit ten nadele van appellante te
wijzigen en in welk geval het verbod op de zogeheten reformatio in peius
er volgens de memorie van toelichting bij artikel 8:69 van de Awb (22
495, nr. 3, pag. 141 en 142) niet aan in de weg staat dat de rechter
zelf in de zaak voorziet ondanks dat die voorziening voor de appellant
per saldo tot een verslechtering leidt.
Reeds om deze reden kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit niet in stand blijven.
Ten tweede is appellante van mening dat gedaagde ten onrechte bij het
primaire besluit de grondslag voor de berekening van de WAZ-uitkering
heeft vastgesteld op f 22,05 per dag en bij het bestreden besluit heeft
gehandhaafd alsook dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen niet
meer te kunnen toekomen aan bespreking van de grieven van appellante
(waaronder de bezwaren van appellante tegen de hoogte van de grondslag).
Met gedaagde is appellante van mening dat de grondslag moet worden
vastgesteld met toepassing van artikel 8, lid 14 gelezen in samenhang met de leden 12 en 16, van de WAZ, maar anders
dan gedaagde is appellante van mening dat ingevolge die bepalingen dient
te worden uitgegaan van het dagloon voor de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en niet, zoals gedaagde heeft
gedaan, van het belastbaar loon (in 1998). Dusdoende komt appellante tot
een lager loon dat, afgezet tegen hetzelfde wettelijk minimumloon als
vanwege gedaagde is gehanteerd, leidt tot een hogere WAZ-grondslag van f
26,79 per dag en, gegeven een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%,
tot een aanmerkelijk hoger bedrag aan WAZ-uitkering per 31 januari 2000
dan in het primaire besluit is vermeld.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift vastgehouden aan de tot de
gedingstukken behorende grondslagberekening van claimbehandelaar N.J.P.
Wilmes van 30 maart 2001, welke is gebaseerd op de door appellante aan
de fiscus verstrekte gegevens over haar inkomen uit winst uit
onderneming over 1998.
Te dien aanzien overweegt de Raad het volgende.
Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat ter zitting is
gebleken dat aan appellante in de loop van 2004 een WAZ-uitkering naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer is toegekend, kan
niet worden staande gehouden dat appellante geen belang meer heeft bij
een oordeel over de wijze van berekening van de grondslag.
Ter zitting is namens gedaagde voorts desgevraagd erkend dat de
grondslagberekening door de claimbehandelaar niet heeft plaatsgevonden
in overeenstemming met het bepaalde in met name artikel 8, lid 14, van
de WAZ; nader is namelijk gebleken dat van verkeerde gegevens is
uitgegaan en voorts dat de berekening van het WAO-dagloon ook onjuist
is.
Ook om deze reden kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit niet in stand blijven.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante slaagt en dat
de aangevallen uitspraak evenals het bestreden besluit dient te worden
vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75
van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand
in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 november 2001 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van in totaal € 1.288,--, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen te betalen aan appellante;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellante in beide instanties betaalde griffierecht van in totaal €
109,23 (€ 27,23 + € 82,--) aan haar dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W.
van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari
2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|