|
Uitspraak
03/1277
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 november 2001 heeft gedaagde appellant met ingang van
15 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toegekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Bij besluit van 2 april 2002,
hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het
besluit van 6 november 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 3 februari 2003, reg.nr.
02/512 WAZ, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. P.A. van Stempvoort, bedrijfsjurist te
Alkmaar, op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak
hoger beroep ingesteld.
Van gedaagde is een verweerschrift ontvangen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 december 2004 waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Stempvoort,
voornoemd, en waar namens gedaagde A.B. Froentjes, werkzaam bij het Uwv,
is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant, geboren op 23 juni 1946, was als zelfstandige werkzaam in een
exportbedrijf voor 40 uur per week. Op 9 februari 2000 heeft appellant
zich tot gedaagde gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen
voor een uitkering ingevolge de WAZ. Hij maakte hierbij melding van
klachten over plotselinge doofheid, concentratiestoornis en een tumor in
de hypofyse.
Na een toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering per 30 maart
2000 en vervolgens weer intrekking daarvan per 7 februari 2001 heeft
gedaagde, na een nieuwe aanvraag om een uitkering, deze bij het primaire
besluit van 6 november 2001 toegekend per 15 mei 2001 naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Bij het thans bestreden besluit is het
bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Ter voorbereiding van dit besluit heeft verzekeringsarts F.A. Bekhof,
verbonden aan gedaagde, appellant onderzocht en informatie ingewonnen
bij de behandelend psycholoog van appellant. Bekhof heeft aanleiding
gezien om het belastbaarheidspatroon van appellant ten aanzien van zijn
psychische belastbaarheid aan te passen.
Vervolgens heeft gedaagde geoordeeld dat de belastingen in de geduide
functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan.
Gemachtigde van appellant erkent dat de behandelend artsen nog geen
eenduidige verklaring hebben kunnen vinden voor de fysieke problemen
waarmee appellant wordt geconfronteerd, maar stelt zich op het standpunt
dat hij zwaardere beperkingen kent dan door gedaagde aangenomen. Ter
onderbouwing van zijn standpunt verzoekt hij de Raad de appellant
behandelend internist endocrinoloog G. van den Berg om inlichtingen te
vragen. Ook verzoekt hij om de behandelend psycholoog H. Rolsma om
inlichtingen te vragen.
Appellant heeft al wel reeds een rapport van Van den Berg omtrent door
hem gedaan onderzoek overlegd, gedateerd 14 mei 2002. Dit rapport wordt
als volgt besloten: ‘Groeihormoonproductie is nu niet aantoonbaar.
Behoudens het partiële hypogonadisme zijn de overige hypofysaire
systemen intact. De persisterende vermoeidheid is hierbij enigszins
moeizaam te duiden’. Ook heeft hij een rapport van psycholoog H.
Rolsma van 4 oktober 2002 overlegd.
De Raad overweegt als volgt.
Van de zijde van appellant is tijdens de gevoerde procedures aangevoerd
dat hij met meer beperkingen wordt geconfronteerd dan door gedaagde is
aangenomen. Hij is met het oog op deze door hem geuite klachten vanwege
gedaagde regelmatig onderzocht. Ook is hij regelmatig door de hem
behandelend artsen onderzocht. Uit deze onderzoeken is - zoals
appellant zelf toegeeft - geen eenduidige verklaring voor zijn
klachten gekomen.
Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen wordt
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO slechts aangenomen indien en
voorzover de verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven
gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.
In het geval van appellant kunnen met toepassing van evengenoemd
criterium geen zwaardere beperkingen worden aangenomen dan door gedaagde
is gedaan. Voor de aanname dat in dit geval aan dit criterium is
voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of gebrek
zwaardere beperkingen vallen toe te schrijven, ziet de Raad geen plaats,
van een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch
gemotiveerde opvatting vanuit de behandelend sector die daartoe
aanleiding zou geven is naar het oordeel van de Raad immers geen sprake.
Het eerder weergegeven citaat uit het rapport van endocrinoloog Van den
Berg is voor de Raad een duidelijke aanwijzing dat ook deze deskundige
de klachten van appellant niet nader kan objectiveren. Ook uit het
rapport van psycholoog Rolsma van 4 oktober 2002 volgen geen indicaties
dat appellants beperkingen door gedaagde niet juist zijn vastgesteld. De
gemachtigde van appellant heeft de Raad dan ook niet van de zin kunnen
overtuigen om appellants behandelend artsen om nadere inlichtingen te
vragen.
In het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
ziet de Raad evenmin reden om de arbeidskundige schatting van appellants
arbeidsongeschiktheid niet te accepteren.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H.
van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 januari
2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|