|
Uitspraak
02/5056
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft bij gemachtigde mr. E.F.V. Vanlerberghe, advocaat te
Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 11 november 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een
door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gegeven uitspraak van 23
september 2002, nr. WAZ 02/1115, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 19 november 2002,
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 december
2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor de beoordeling
van dit geschil van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant is directeur-grootaandeelhouder (DGA) van het schildersbedrijf
[naam schildersbedrijf]. Met ingang van 3 december 1998 is hij vanwege
rug-, knie- en heupklachten ziek gemeld. Na het doorlopen van de op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
geldende wachttijd is aan appellant bij besluit van 20 juli 2000 met
ingang van 2 december 1999 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Hieraan ligt ten
grondslag dat appellant met de voor hem geldende medische beperkingen
door de arbeidsdeskundige J.W. Bouwer (grotendeels) ongeschikt is geacht
voor het eigen werk maar geschikt is geacht voor gangbare arbeid.
In het kader van de zogeheten 1e-jaars herbeoordeling is appellant
onveranderd ongeschikt geacht voor het eigen werk en is de mate van
arbeidsongeschiktheid op basis van geschiktheid voor gangbare arbeid
vastgesteld op 55 tot 65%. Tevens is bij die beoordeling door de
arbeidsdeskundige F.H.R. Govers vastgesteld dat de WAZ-uitkering in
verband met door appellant genoten inkomsten uit zijn eigen bedrijf
vanaf 2 december 1999 niet tot uitbetaling dient te komen.
Gedaagde heeft vervolgens - voor zover relevant voor de procedure in
hoger beroep - de volgende besluiten genomen:
- bij besluit van 28 mei 2001 (besluit 1) is, onder intrekking van het
besluit van 20 juli 2000, aan appellant ingaande 2 december 1999 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, en is hem meegedeeld dat de
uitkering onder toepassing van artikel 58 van de WAZ vanaf 2 december
1999 niet wordt uitbetaald in verband met door appellant verworven
inkomsten uit arbeid;
- bij besluit van 31 mei 2001 (besluit 2) heeft gedaagde met toepassing
van artikel 63 van de WAZ van appellant een bedrag van 11.083,58 (f
24.425,-) bruto teruggevorderd terzake van over de periode 2 december
1999 tot en met 31 mei 2001 aan hem onverschuldigd betaalde uitkering
ingevolge de WAZ.
Bij besluit van 26 maart 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant
tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Voorts is bij dit besluit
bepaald dat met ingang van 1 april 2002 de terugvordering wordt
gerealiseerd door invordering van een bedrag van 654,65 (f 1.442,66)
per maand.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat, en op welke gronden, het besluit van 26 maart 2002 in al zijn
onderdelen in rechte stand kan houden.
Namens appellant is in hoger beroep - samengevat - gesteld dat gedaagde
ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 58 van de WAZ, dat de
terugvordering - en zeker tot een brutobedrag - onrechtmatig is nu deze
louter het gevolg is van beoordelingsfouten aan de zijde van gedaagde,
dat teveel wordt teruggevorderd en dat het invorderingsbedrag onredelijk
hoog is.
De Raad overweegt als volgt.
De toepassing van artikel 58 WAZ
Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ wordt,
indien de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet
vaststaat of deze arbeid als arbeid bedoeld in artikel 2, vierde lid,
(en dat is alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is) kan worden aangemerkt, die
uitkering niet ingetrokken of herzien, doch niet betaald, indien de
inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als in
die bepaling bedoeld zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%.
Onbetwist is tussen partijen dat appellant na het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid gedurende een aantal uren per dag werkzaam is
gebleven in het eigen bedrijf. Hij verricht na zijn uitval weliswaar
niet langer de uitvoerende werkzaamheden maar nog wel allerhande
kantoorwerkzaamheden. Voorts blijkt uit de door de boekhouder van
appellant aan de arbeidsdeskundige Govers desgevraagd verstrekte opgave
van de door appellant vanaf 1999 ontvangen inkomsten, dat appellant na
het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid een volledig salaris, zelfs
meer dan vσσr zijn uitval, is blijven ontvangen.
De Raad vermag op de eerste plaats niet in te zien dat gedaagde ten
onrechte is uitgegaan van de door de boekhouder van appellant aan de
arbeidsdeskundige Govers verstrekte loongegevens. Appellant heeft ten
aanzien van de door de arbeidsdeskundige in aanmerking genomen inkomsten
over de jaren 1999 en 2000 op geen enkele wijze onderbouwd dat hiermee
van onjuiste loongegevens is uitgegaan. De Raad overweegt voorts dat
indien voor het jaar 2001 zou worden uitgegaan van de door appellant
opgegeven inkomsten van 4.211,53 (f 9.281,-) per 4 weken, deze
inkomsten in verhouding tot het zogeheten maatmaninkomen nog steeds
dermate hoog zijn dat ook dan de uitkering niet tot uitbetaling zou
komen.
De Raad is voorts van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat
gedaagde ten onrechte het daadwerkelijk genoten loon volledig heeft
aangemerkt als inkomsten uit arbeid. Immers, tegenover dit loon staat,
naar op grond van de eigen verklaringen van appellant moet worden
aangenomen, enige arbeidsprestatie van de zijde van appellant. Hij is
voorts steeds directeur gebleven zodat hij in elk geval steeds de
eindverantwoordelijkheid had.
Voorzover appellant heeft gesteld dat het genoten loon niet in een
evenwichtige verhouding staat tot de door hem verrichte
arbeidsprestatie, merkt de Raad op dat van zogeheten sociaal loon hier
geen sprake kan zijn nu appellant als DGA immers de hoogte van zijn
salaris zelf kon bepalen.
Verder blijkt uit de arbeidskundige rapportage van 16 maart 2001 dat de
WAZ-uitkering apart, geheel los van de salarisbetaling, werd overgemaakt
naar appellant.
Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde het door
appellant genoten loon terecht geheel voor anticumulatie in aanmerking
heeft genomen.
Waar het gaat om de aan de toepassing van artikel 58 WAZ verbonden
terugwerkende kracht overweegt de Raad dat zodanige terugwerkende kracht
in het algemeen in strijd is te achten met het rechtszekerheidsbeginsel.
Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien betrokkene redelijkerwijs
geacht kan worden kennis te dragen van het feit dat de inkomsten van
invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt
uitbetaald dan wel indien het ongewijzigd voortzetten van de uitkering
(mede) het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige
informatieverschaffing door betrokkene, terwijl het uitvoeringsorgaan
een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien het
destijds de juiste feiten had gekend.
Zich toespitsend op het voorliggende geval merkt de Raad op dat
appellant gedaagde van meet af aan ervan in kennis heeft gesteld dat hij
na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gedurende een aantal uren
per dag werkzaam is gebleven is zijn eigen bedrijf.
De Raad heeft echter moeten constateren dat van de zijde van gedaagde
eerst bij de 1e-jaars herbeoordeling in maart 2001 door de
arbeidsdeskundige Govers aandacht is besteed aan de daadwerkelijk
genoten inkomsten uit het eigen bedrijf vanaf 1999. Uit de rapportage
van de arbeidsdeskundige Bouwer van 18 mei 2000, uitgebracht in het
kader van de einde wachttijdbeoordeling, blijkt dat deze functionaris
geen onderzoek heeft gedaan naar de door betrokkene feitelijk genoten
inkomsten uit zijn eigen bedrijf na het intreden van de
arbeidsongeschiktheid. Blijkbaar is deze arbeidsdeskundige van de
achteraf bezien onjuiste veronderstelling uitgegaan dat het door
appellant genoten salaris na het intreden van de arbeidsongeschiktheid
aan de verminderde inzetbaarheid in het eigen bedrijf was,
respectievelijk zou worden, aangepast. Ook anderszins is de Raad niet
gebleken dat gedaagde eerder dan in maart 2001 op de hoogte is geraakt
van de daadwerkelijk door appellant genoten inkomsten na het intreden
van diens arbeidsongeschiktheid. In het bijzonder blijkt nergens uit dat
appellant voor maart 2001 uit eigen beweging aan gedaagde melding heeft
gemaakt van de door hem vanaf einde wachttijd daadwerkelijk genoten
inkomsten.
Voorts merkt de Raad nog op dat appellant aan de arbeidsdeskundige
Govers op 14 maart 2001 heeft aangegeven niet geheel te begrijpen dat
hij uitkering ontvangt, hetgeen erop wijst dat bij appellant het
vermoeden bestond dat de door hem ontvangen inkomsten van invloed waren
op de (uitbetaling van) de uitkering.
Ten slotte overweegt de Raad dat het enkele tijdsverloop dat gepaard is
gegaan met het nemen van het aan de orde zijnde anticumulatiebesluit
onvoldoende is om te concluderen dat een ongeschreven rechtsregel of
algemeen rechtsbeginsel in de weg staat aan het toepassen van artikel 58
van de WAZ, welke bepaling van dwingendrechtelijke aard is.
Onder de hiervoor geschetste omstandigheden is de Raad van oordeel dat
gedaagde zonder in strijd te komen met het rechtszekerheidsbeginsel ten
aanzien van appellant met terugwerkende kracht toepassing mocht geven
aan artikel 58 van de WAZ.
De terug- en invordering
Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de WAZ dient hetgeen
onverschuldigd is betaald te worden teruggevorderd.
Van terugvordering kan evenwel op grond van het vierde lid van
evengenoemd artikel door gedaagde worden afgezien, indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn.
Gelet op de houdbaarheid in rechte van het hiervoor besproken besluit
inzake de toepassing van artikel 58 van de WAZ staat vast dat door
gedaagde onverschuldigd uitkering is betaald aan appellant over de
periode van 2 december 1999 tot en met 31 mei 2001.
De Raad ziet geen aanleiding voor twijfel aan de hoogte van het
terugvorderingsbedrag ad 11.083,58 (f 24.425,-) , als nader
gespecificeerd in de brief van gedaagde van 7 september 2001.
In zijn uitspraak van 21 maart 2001, gepubliceerd in USZ 2001/141 en RSV
2001/174, heeft de Raad overwogen dat een dringende reden als bedoeld in
artikel 57 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),
welk artikel inhoudelijk volledig gelijk is aan het hier aan de orde zijnde
artikel 63 van de WAZ, blijkens de wetsgeschiedenis slechts gelegen kan
zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering
voor de verzekerde heeft. De omstandigheid dat gedaagde enige tijd heeft
laten verstrijken alvorens tot toepassing van artikel 58 van de WAZ over
te gaan en hiertoe reeds eerder had kunnen besluiten, kan op zichzelf
geen dringende reden opleveren. Het stilzitten van gedaagde ziet op de
oorzaak van de terugvordering en niet op de (onaanvaardbare) gevolgen
van de terugvordering.
Voor het aannemen van een dringende reden op grond van het
rechtszekerheidsbeginsel is, zie terzake onder meer USZ 2001/140, slechts aanleiding indien sprake is van zon bijzonder
geval dat strikte toepassing van artikel 63 van de WAZ in die mate in
strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is, dat zij op grond daarvan
geen rechtsplicht meer kan zijn. Volgens vaste rechtspraak is een
bijzonder geval als evenbedoeld slechts aan de orde in die gevallen
waarin kan worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke
mededeling van het uitvoeringsorgaan, mits aan die mededeling geen
onjuiste of onvolledige inlichtingen van betrokkene debet waren of dat
de onjuistheid van dat standpunt door betrokkene anderszins niet had
behoren te zijn onderkend.
De Raad stelt vast dat in het onderhavige geval geen sprake is van
ondubbelzinnige schriftelijke mededelingen van het uitvoeringsorgaan. Er
is derhalve evenmin reden voor het aannemen van een dringende reden op
grond van het rechtszekerheidsbeginsel.
Ten aanzien van appellants grief dat gedaagde ten onrechte tot een bruto
terugvordering is overgegaan, overweegt de Raad dat ook deze grief
faalt.
Volgens de Beleidsregel terug- en invordering van 31 maart 1999 (Stcrt.
1999, 75) en in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de Raad,
vindt terugvordering van bruto bedragen plaats in het geval de
onverschuldigde betaling betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels
in fiscale zin is afgesloten, waardoor verrekening tussen het
bestuursorgaan als inhoudingsplichtige voor de toepassing van de Wet op
de loonbelasting 1964 en de fiscus niet meer tot de mogelijkheden
behoort.
De Raad merkt in dit kader op dat ten tijde van het nemen van het
(primaire) besluit van 31 mei 2001 het boekjaar 2001 nog niet was
afgesloten, in verband waarmee door gedaagde bij brief van 7 juni 2001
terecht werd aangegeven dat over dat jaar netto kon worden terugbetaald.
Bij het besluit op bezwaar van 26 maart 2002 is vervolgens door gedaagde
terecht aangegeven dat terugvordering van bruto bedragen plaatsvindt nu
de onverschuldigde betaling op dat moment in zijn geheel betrekking
heeft op afgesloten fiscale tijdvakken.
Het besluit van 26 maart 2002, bezien in samenhang met de brief van 27
maart 2002, bevat in overeenstemming met de jurisprudentie van de Raad,
onder meer USZ 2000/115, het complete invorderingsbesluit.
De Raad ziet geen reden tot twijfel aan de juistheid van het door
gedaagde voor appellant vastgestelde aflossingsbedrag per maand. Dit is
berekend aan de hand van het door appellant d.d. 14 juli 2001 ingevulde
formulier inkomensopgave en rekening is gehouden met de beslagvrije
voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
Het gegeven dat gedaagde op verzoek van appellant in afwachting van de
uitspraak van de rechtbank akkoord is gegaan met een lager
aflossingsbedrag per maand doet op geen enkele wijze af aan de
rechtmatigheid van het invorderingsbesluit d.d. 26 maart 2002.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van
J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 februari
2005.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E. Meijer.
|
|