|
Uitspraak
03/1647
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellant na
afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 6 oktober 2001,
minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 15 februari 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 24 februari 2003, reg.nr.
AWB 02-719, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. H.H.G.M. Prince, advocaat te Utrecht, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.
Mr. Prince, voornoemd, heeft meegedeeld dat hij niet langer als
gemachtigde van appellant optreedt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 november 2004,
waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen mr. L. Ritsma, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat zijn
gezondheidstoestand en een hersenbloeding op 8 oktober 2000 veroorzaakte medische beperkingen niet goed zijn
ingeschat respectievelijk beoordeeld. Daardoor is de mate van
arbeidsongeschiktheid voor loonvormende functies, zijnde gangbare
arbeid, overschat. Hierdoor vond er een te hoge vaststelling van de
resterende verdiencapaciteit plaats. Voorts is appellant van oordeel dat
het voor hem geldende maatmanloon is onderschat en daarmee op een te
laag uurloon is vastgesteld. Ten onrechte is geen ruimte aanwezig geacht
om in voor hem gunstige zin af te wijken van de fiscale winst in de
boekjaren 1997, 1998 en 1999. Appellant meent dat hierdoor de mate van
arbeidsgeschiktheid in de zin van de WAZ op een te laag percentage is
vastgesteld, waardoor ten onrechte geen uitkering is toegekend.
Appellant ontleent aan het gestelde in art. 8, lid 2, sub b van de WAZ
zijn standpunt dat de berekening van het maatmaninkomen gebaseerd moet
zijn op vijf in plaats van drie boekjaren voorafgaand aan de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag. Daarnaast is appellant van mening dat er
sprake is van onbillijkheid nu er strikt wordt uitgegaan van de fiscale
winst en acht hij het meer voor de hand liggend dat bij de berekening
van het maatmaninkomen dient te worden uitgegaan van de winsten zonder
dat deze om fiscale redenen zijn gemuteerd ten behoeve van de opbouw c.q.
vrijval van de storno reserve.
Voor de vaststelling van het maatmanloon in de onderhavige zaak heeft
gedaagde als volgt overwogen:
De arbeidsdeskundige is bij de vaststelling van het maatloon
uitgegaan van de fiscale winst die u hebt behaald met uw bedrijf in de
drie boekjaren voor de eerste arbeidongeschiktheidsdag. Voornoemde
vaststelling van het maatmanloon van een zelfstandige wordt door de
Centrale Raad van Beroep geaccepteerd. De fiscus accepteert als
correctiepost de opgebouwde storno reserve zodat u minder belasting
hoeft te betalen en daardoor ook minder WAZ-premie. Wanneer een beroep
gedaan wordt op de WAZ wordt het bedrag waarover premie is betaald als
uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid. Dit kan een lager maatloon opleveren en tot geen
of een lage WAZ-uitkering leiden bij functieduiding. Het is niet reλel
om deze reserve weer op te tellen en te beschouwen als inkomen in het
kader van de WAZ. Derhalve is de bezwaararbeidsdeskundige van mening dat
de fiscale winst het uitgangspunt blijft. Dat een te lage fiscale winst
leidt tot een laag maatloon in het kader van de WAZ is een gevolg van
regelgeving van het maatloon, doch kan geen reden zijn om het maatloon
dan te verhogen met allerlei posten om tot een toekenning van een
WAZ-uitkering te komen. Over het bedrag aan storno reserve is immers ook
geen premie betaald.
De Raad stelt op de eerste plaats vast dat gedaagde bij de bepaling van
het maatmaninkomen van appellant s-Raads vaste jurisprudentie gevolgd
heeft zoals neergelegd, onder meer in zijn uitspraak van 17 augustus
1993, gepubliceerd in
RSV 1993/298, waarin is geoordeeld dat bij de bepaling van het
maatmaninkomen van een zelfstandige voor de gevallen waarin dat
praktisch mogelijk is, steeds als uitgangspunt moet gelden de door de
fiscus aanvaarde netto-winst over de laatste drie boekjaren voor het
intreden van de arbeidsongeschiktheid. De Raad kan gedaagde voorts
volgen in zijn standpunt dat dit zelfde uitgangspunt, het volgen van de
fiscale keuze in de referteperiode van drie jaar, eveneens geldt voor de
storno reserve. Een zelfde oordeel geldt ten aanzien van de door
appellant gekozen winstverdeling tussen hem en zijn echtgenote.
Voor wat betreft appellants grief dat vijf in plaats van drie boekjaren
de referteperiode moeten vormen voor het vaststellen van het
maatmaninkomen wijst de Raad appellant op het volgende: artikel 8 van de
WAZ bevat geen voorschriften met betrekking tot de wijze waarop het
maatmaninkomen dient te worden berekend, maar heeft uitsluitend
betrekking tot de grondslag waarop de uitkering dient te worden
berekend. Anders gesteld: pas nadat met behulp van onder andere het
berekende maatmaninkomen het verlies aan verdienvermogen is vastgesteld
komt de grondslag van de uitkering in beeld om de uiteindelijke hoogte
van de uitkering te bepalen.
Hetgeen in hoger beroep voorts namens en door appellant is aangevoerd
voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit, biedt
de Raad onvoldoende aanknopingspunten om deze voor onjuist te houden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|