|
Uitspraak
02/5319
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 27 april 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het
bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 30 oktober 2000 tot
weigering een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen,
overwegende dat appellant per 5 januari 1997 minder dan 25%
arbeidsongeschiktheid is.
Bij uitspraak van 16 september 2002, kenmerk AWB 01/1322 WAZ, heeft de
rechtbank ’s-Hertogenbosch het beroep van appellant tegen het besluit
van 30 oktober 2000 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend en - in
reactie op vragen van de Raad - nader bij brief van 5 november 2004
stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 januari
2005. Appellant was vertegenwoordigd door mr. J.W. van de Wege, advocaat
te Eindhoven, die werd vergezeld van [een broer van appellant], een
broer van appellant. Voor gedaagde is verschenen L. den Hartog, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op 2 augustus 2000 een op 31 juli 2000 gedateerde
aanvraag om een WAZ-uitkering ingediend, stellende dat hij zijn
werkzaamheden als zelfstandig verkoper van houtwaren na een TIA op 8
januari 1996 (die daarna tot aanhoudende neurologische klachten
aanleiding heeft gegeven) heeft moeten staken. Na
verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is gedaagde gekomen
tot de conclusie dat appellants theoretische verdiencapaciteit hoger is
dan zijn maatmaninkomen, zodat er geen sprake is van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ.
In de bezwaarfase heeft appellant - ter onderbouwing van zijn standpunt
dat hij medisch meer is beperkt dan door de verzekeringsarts in de
primaire fase is vastgesteld - overgelegd een door zijn huisarts R.H.N.
van den Bogaerde op 28 december 2000 afgegeven verklaring, inhoudende de
conclusie dat appellant in ieder geval niet zijn werkzaamheden als
zelfstandige zal kunnen hervatten. Daarin, noch in hetgeen appellant
overigens naar voren heeft gebracht, hebben de bezwaarverzekeringsarts
en de bezwaararbeidsdeskundige aanleiding gezien tot bijstelling van hun
standpunt. Bij het bestreden besluit is de weigering dan ook
gehandhaafd.
In de beroepsfase heeft appellant zijn standpunt herhaald, ditmaal onder
overlegging van een mede door klinisch psycholoog W.A. Fonteijn
ondertekend rapport van 3 augustus 2001 van onderzoek door GZ-psycholoog
i.o. E. Castermans. Nader heeft appellant overgelegd een brief van
revalidatiearts dr. R.M. van Mechelen van 6 juni 2002 met conclusies op
basis van zowel aantekeningen van eigen onderzoek op 6 maart 2001 als
een in diens opdracht in mei 2002 opgesteld rapport van onderzoek door
klinisch psycholoog drs. T.C.G. Verbunt, verbonden aan de afdeling
arbeidsexploratie van het revalidatiecentrum Blixembosch.
In die nadere medische gegevens is, zo heeft de bezwaarverzekeringsarts
H.M.Th. Offermans op 17 juli 2002 gerapporteerd, aanleiding gezien het
van 22 augustus 2000 daterende belastbaarheidspatroon fors aan te
scherpen, met name wat diverse aspecten van de psychische belastbaarheid
betreft.
Gegeven dat aldus aangescherpte belastbaarheidspatroon heeft de
bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten op 19 juli 2002 per einde
wachttijd (5 januari 1997) vier (drie fb-codes omvattende) functies met
drie reservefuncties met een voldoende aantal arbeidsplaatsen
geselecteerd die appellant - ongeschikt geacht voor zijn laatstelijk
verrichte eigen werk - nog volledig zou kunnen vervullen en die nog
steeds leiden tot een mediane loonwaarde die (hoe dan ook) hoger ligt
dan het maatmaaninkomen, zodat er geen sprake is van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ.
De rechtbank heeft appellants beroep ongegrond verklaard, van oordeel
dat gedaagde van de juiste medische beperkingen is uitgegaan, dat een
nader medisch onderzoek door een door de rechtbank aan te wijzen
deskundige niet is geïndiceerd, dat er geen sprake is van het ontbreken
van benutbare mogelijkheden als bedoeld in artikel 2 van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en dat appellant in staat
moet worden geacht tot het verrichten van de aan de door de
bezwaararbeidsdeskundige Kursten geselecteerde functies verbonden
werkzaamheden.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in medisch opzicht
zozeer is beperkt dat hij in het geheel geen loonvormende arbeid en
(evenmin) arbeid in het vrije bedrijf kan verrichten, althans geen van
de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies kan
vervullen. Naar de mening van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts
Offermans onvoldoende betekenis toegekend aan de bevindingen van zowel
Van Mechelen als Verbunt en had de rechtbank uit oogpunt van
zorgvuldigheid behoren over te gaan tot benoeming van een medisch
deskundige alvorens op basis van de resultaten van het door die
deskundige in te stellen onderzoek te komen tot een oordeel over
appellants medische beperkingen.
Bij brief van 5 november 2004 heeft gedaagde overgelegd een rapport van
de bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot van 29 oktober 2004 waarin
per einde wachttijd deels nieuwe functies met een voldoende aantal
arbeidsplaatsen zijn geselecteerd die ook naar de mening van de
bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst volledig door appellant
kunnen worden vervuld en die leiden tot een mediane loonwaarde die nog
immer hoger is dan het maatmaninkomen, zodat per einde wachttijd (5
januari 1997) niet kan worden gesproken van arbeidsongeschiktheid in de
zin van de WAZ.
Ter zitting heeft appellant per door de bezwaararbeidsdeskundige De
Groot aan de schatting ten grondslag gelegde functie uitgebreid
uiteengezet waarom naar zijn mening de aan die functies verbonden
werkzaamheden door hem niet kunnen worden verricht. Daarbij heeft
appellant aangetekend dat een nader medisch onderzoek thans niet meer zo
zinvol is, omdat begin 2004 is gebleken dat hij in een zeer slechte
lichamelijke conditie is komen te verkeren.
De Raad overweegt het volgende.
Ook naar het oordeel van de Raad is niet staande te houden dat gedaagde
na de forse aanscherping van het belastbaarheidspatroon door de
bezwaarverzekeringsarts Offermans op 17 juli 2002 met name wat diverse
aspecten van de psychische belastbaarheid betreft niet van de juiste
medische beperkingen is uitgegaan.
Anders dan appellant is de Raad met Offermans van oordeel dat een
vertraagd tempo niet behoeft te leiden tot een beperking op aspect 28G,
waarbij het gaat om kort cyclisch werk, met snelle regelmaat zich
herhalend werk. De eigen waarnemingen van de revalidatiearts Van
Mechelen op basis van de door deze gemaakte aantekeningen van eigen
onderzoek op 6 maart 2001 leveren geen objectief medische
aanknopingspunten op voor het stellen van zwaardere beperkingen.
Zodanige aanknopingspunten zijn evenmin voorhanden om aan te nemen dat
appellant op de datum in geding slechts in een beschutte werkomgeving
kon werken dat wel op die datum in het geheel niet beschikte over
duurzaam benutbare mogelijkheden als bedoeld in de Lisv-standaard
”geen duurzaam benutbare mogelijkheden”, waarbij de Raad aantekent
dat artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten,
waarin die standaard is opgenomen, op de datum in geding nog niet van
toepassing was.
Thans komt de Raad toe aan beoordeling van de per einde wachttijd
geselecteerde functies waarvan er nog slechts één
(lederwarenmaker/bediener stikautomaat schoeisel, fb-code 8030) ook in
beroep ter beoordeling heeft voorgelegen. De rechtbank heeft geoordeeld
dat die ene functie met inachtneming van de vastgestelde medische
beperkingen door appellant moet kunnen worden vervuld.
De Raad deelt dat oordeel, nu de uitdraai van die functie uit het
functie-informatie-systeem (fis) geen (relevante) asterisk ten teken van
mogelijke overschrijding van appellants belastbaarheid te zien heeft
gegeven.
Wat de functie van printplatenmonteur (fb-code 8538) betreft heeft
appellant ter zitting onder meer naar voren gebracht dat blijkens de
toelichting bij aspect 28G (ten aanzien waarvan in het
belastbaarheidspatroon geen beperking is opgenomen) voortdurend
geconcentreerde aandacht is vereist en wel gedurende de circa zes
minuten aaneen die het samenstellen van het product vergen. De
bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst heeft aan die eis geen woorden
gewijd bij zijn bespreking van deze in hoger beroep alsnog per einde
wachttijd geselecteerde functie, hoewel daartoe - gelet op de wat aspect
28B (dwingend tempo) betreft aangenomen beperking - alle aanleiding
bestond. De Raad is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd
waarom de aan deze functie verbonden werkzaamheden door appellant kunnen
worden verricht.
Wat de functie van samensteller metaalproducten/monteuse loopwerken (fb-code
8463) betreft heeft appellant ter zitting naar voren gebracht dat deze
functie bij de uitdraai uit het fis is voorzien van een asterisk bij
aspect 13 (tillen) en bij aspect 28A (aanmerkelijke tijdsdruk) onder
aantekening (in het fis): ”normstelling”. Dit betekent naar
appellants mening dat er een bepaalde productienorm moet worden gehaald,
wat - mede gegeven dat er sprake is van met snelle regelmaat zich
herhalend werk - leidt tot een zeer korte montagetijd.
Te dien aanzien heeft de bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst als
toelichting gegeven dat de beperking op aspect 28A voornamelijk
betrekking heeft op het cognitief functioneren van appellant, wat leidt
tot een vertraging op het gebied van volgehouden, verdeelde en
exclusieve aandacht, doch dat, daar het in deze functie gaat om
routinematige montagewerkzaamheden waarbij een heel beperkt appel wordt
gedaan op appellants cognitieve functies, deze beperking nagenoeg niet
van toepassing is.
De Raad acht met dit door Van der Heemst ingenomen en aldus gemotiveerde
standpunt niet voldoende weerlegd dat de tempodruk die deze functie
ontegenzeglijk met zich brengt appellants belastbaarheid niet te boven
gaat. Wat aspect 13 (tillen) betreft heeft Van der Heemst wél afdoende
gemotiveerd waarom er geen sprake is van overschrijding van appellants
belastbaarheid.
Nu aldus ten aanzien van twee van de vier aan de schatting ten grondslag
gelegde functies is vastgesteld dat het standpunt van gedaagde dat
appellant de aan die functies verbonden werkzaamheden moet kunnen
verrichten niet afdoende is gemotiveerd, kan niet worden ontkomen aan de
conclusie dat het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige
grondslag ontbeert en om die reden - evenals bijgevolg de aangevallen
uitspraak - dient te worden vernietigd.
De Raad zal, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht, gedaagde veroordelen in appellants proceskosten wegens in
beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand (in elk van beide
instanties € 644,--) en in beroep door de revalidatiearts Van Mechelen
alsook de klinisch psycholoog Verbunt bij appellant in rekening
gebrachte, redelijkerwijs gemaakte kosten van onderzoek (€ 562,32
respectievelijk € 745,--).
De Raad wijst appellants verzoek om gedaagde te veroordelen tot
vergoeding aan hem van de uit wettelijke rente over het niet tijdig
uitbetaalde bedrag aan de door hem geclaimde WAZ-uitkering bestaande
schade thans af, omdat thans nog niet vaststaat dat van zodanige schade
sprake is. Het al dan niet bestaan van renteschade zal eerst kunnen
worden vastgesteld, nadat nadere besluitvorming door gedaagde zal hebben
plaatsgevonden. Gedaagde zal dan ook bij het nader te nemen besluit op
bezwaar tevens een beslissing moeten nemen op het door appellant gedane
verzoek om vergoeding van de geleden renteschade. Voor het geval
gedaagde nader besluit tot toekenning van een WAZ-uitkering aan
appellant, dan zal de vergoeding van die schade dienen te geschieden op
de aan gedaagde bekende, in de uitspraak van de Raad van 1 november
1995, gepubliceerd in JB 1995/314, aangegeven wijze.
Met het oog op het door gedaagde na de evenbedoelde vernietiging nader
te nemen besluit op bezwaar tekent de Raad wat de eveneens aan de
schatting ten grondslag gelegde functie van monteur transformatoren (fb-code
8539) betreft nog het volgende aan. Bij die functie is sprake van een
asterisk op aspect 28H (grote verantwoordelijkheid en/of afbreukrisico).
Te dien aanzien heeft de bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst
toegelicht dat de grenzen van appellants belastbaarheid niet worden
overschreden, daar blijkens het rapport van de klinisch psycholoog
Fonteijn van 3 augustus 2001 uit het onderzoek naar voren is gekomen dat
appellant weliswaar vertraagd werkt, maar wel heel nauwkeurig. Juist,
aldus voorts Van der Heemst, door een nonchalante, niet nauwkeurige
wijze van werken zou in deze functie sprake zijn van een verhoogd
afbreukrisico.
Met appellant acht de Raad die toelichting onvoldoende motivering.
Afbreukrisico is een ander aspect van de functie dan nauwkeurigheid van
werken. Afgezien daarvan is niet goed voorstelbaar dat het weliswaar
heel nauwkeurig, maar daardoor vertraagd werken zonder problemen blijft
voor het seriematig werken en het halen van de in het overzicht verkorte
functieomschrijvingen vermelde productienorm van globaal 20 - 30 stuks
per uur.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 april 2001 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met
inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in appellants proceskosten in beroep en in hoger
beroep tot een bedrag in totaal groot € 2.595,32, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant;
Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 109,23
(f 60,-- + € 82,--) dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van J.E.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 februari
2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|