|
Uitspraak
01/5883
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
de erven van [betrokkene], wonende te Nijmegen, gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 17 december 1998 heeft appellant de wegens hartproblemen
toegekende uitkering van [betrokkene], hierna: betrokkene, ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk
werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 15 december 1998 ingetrokken, onder overweging dat de
mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan
15% was.
Bij besluit van 17 december 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft
appellant het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 2 oktober 2001, nummer AWB 00/181 WAZ, waarnaar
hierbij wordt verwezen. Bij die uitspraak is het beroep tegen het
bestreden besluit gegrond verklaard en is dat besluit vernietigd. Voorts
heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding
van proceskosten en griffierecht.
Namens betrokkene heeft mr. N. Stommels, advocaat te Nijmegen, een
verweerschrift ingediend.
Op 16 april 2004 bereikte de Raad het bericht dat betrokkene op 31 maart
2004 is overleden aan de gevolgen van darmkanker.
Desgevraagd heeft de cardioloog R. van Nieuwenhuizen onder dagtekening 13 september 2004 de Raad van verslag en advies gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 november 2004,
waar namens appellant - zoals was aangekondigd - niemand is verschenen,
terwijl namens gedaagden is verschenen mevrouw [A.], bijgestaan door mr.
N. Stommels voornoemd.
II. MOTIVERING
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is
aangeduid en betrokkene als eiser, heeft de rechtbank onder meer als
volgt overwogen:
“Volgens vaste jurisprudentie brengt het bepaalde in artikel 3:2 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met zich, dat een aan een besluit
als thans in geding ten grondslag liggend medisch oordeel dient te zijn
gebaseerd op een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts en in navolging van deze
arts de bezwaarverzekeringsarts zich hebben gebaseerd op hetgeen is
gerapporteerd door de cardioloog. In de rapportage van 22 juni 1998
geeft de verzekeringsarts weer dat er blijkens de informatie van de
cardioloog sprake is van een bevredigende cardiale situatie alsmede dat
er sedert de fietsproef (uitgevoerd in december 1997) gezien de anamnese
het een en ander in positieve zin is veranderd. Met de ‘anamnese’ is
daarbij kennelijk gedoeld op de mededelingen die eiser heeft gedaan
tijdens een - naar eiser ter zitting heeft gesteld: zeer summier - telefoongesprek dat de verzekeringsarts op 28 april 1998 met hem heeft
gevoerd. De rechtbank is echter gebleken dat de cardioloog voorafgaand
aan het primaire besluit en herhaaldelijk nadien nadere informatie heeft
ingebracht omtrent de medische toestand van eiser. Weliswaar kan de
rechtbank verweerder gedeeltelijk volgen in zijn standpunt dat de
cardioloog in zijn schrijven van 28 mei 1999 kennelijk andere argumenten
hanteert dan het wettelijk kader ingevolge de WAO en de WAZ. Het voert
de rechtbank echter te ver zulks ook aan te nemen ten aanzien van de
informatie van de cardioloog dat eiser gezien zijn belemmerde validiteit
net in staat moet worden geacht een normale ADL-functie te kunnen
volbrengen, dat een gehele dag werken te veel is voor hem en dat een
aantal met name genoemde functies duidelijk te zwaar is voor eiser.
Daarmee heeft de cardioloog duidelijk een beperking (op medische
gronden) aangegeven. Aangezien verweerders besluiten - zoals hiervoor
vermeld - juist met name zijn gebaseerd op de gegevens van de
cardioloog en niet op grond van eigen onderzoeksbevindingen, had de
bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank de door de
cardioloog verstrekte informatie, niet zonder nader (eigen) onderzoek
mogen passeren. Daarmee komt het bestreden besluit wegens strijd met het
bepaalde in artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.”
De rechtbank heeft vervolgens het beroep gegrond verklaard en het
bestreden besluit vernietigd, met nadere bepalingen inzake vergoeding
van proceskosten en griffierecht.
Van deze uitspraak is appellant in hoger beroep gekomen op de grond dat
in de besluitvorming volgens de algemeen geaccepteerde
zorgvuldigheidsnormen is gehandeld. Van de zijde van de cardioloog zijn
geen argumenten naar voren gebracht op basis waarvan dient te worden
getwijfeld aan de juistheid van het opgestelde belastbaarheidspatroon.
Indien de bezwaarverzekeringsarts derhalve opnieuw de informatie van de
cardioloog bij zijn herbeoordeling zou betrekken, leidt dit niet tot een
andere conclusie ten aanzien van de belastbaarheid van gedaagde.
Aangezien er geen nieuwe medische argumenten door de cardioloog worden
genoemd op basis waarvan getwijfeld dient te worden aan de juistheid van
het onderzoek, zal het belastbaarheidspatroon gelijk blijven, aldus
appellant.
De Raad heeft in de gedingstukken aanleiding gevonden voor het instellen
van een nader onderzoek naar de belastbaarheid van betrokkene op de in
geding zijnde datum en heeft daartoe de cardioloog R. van Nieuwenhuizen
benoemd als deskundige.
In zijn rapportage van 13 september 2004 heeft deze deskundige
gemotiveerd en in niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen
aangegeven zich niet met de door de verzekeringsarts vastgestelde
belastbaarheid van betrokkene te kunnen verenigen en hem op 15 december
1998 niet in staat te achten tot het verrichten van de werkzaamheden
verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Hij
acht betrokkene ongeschikt tot hervatting van welke werkzaamheden dan
ook.
Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het
bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag berust en
deswege geen stand kan houden, zodat de aangevallen uitspraak - zij het
met wijziging van gronden - voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 414,-
dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Draagt appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met
inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen en
geoordeeld;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari
2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|