|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/343 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, op bij
aanvullend beroepschrift vermelde gronden, hoger beroep ingesteld tegen
een op 20 december 2002 door de rechtbank Roermond tussen partijen
gewezen uitspraak (reg.nr. 01/1324 WAZ), waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 11 en 20 augustus, 27 september, 25 oktober en 23
december 2004 zijn namens appellant nadere stukken toegezonden.
Gedaagde heeft op 27 september 2004 gereageerd op de brief van 20
augustus 2004.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts
(voornoemd), en waar namens gedaagde is verschenen W. Lagerwaard,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De feiten die in rubriek II van de aangevallen uitspraak zijn vermeld,
worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het
uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Op 7 juni 2000 heeft appellant gedaagde verzocht om in aanmerking te
komen voor een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (WAZ).
Bij besluit van 28 februari 2001 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld
dat hij op en na 30 april 2000 geen uitkering inzake de WAZ toegekend
krijgt omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Bij
een ander besluit - met dezelfde datum - wordt aan appellant meegedeeld
dat aangezien hij sedert 22 mei 2000 wederom is uitgevallen met toename
van klachten zijn arbeidsongeschiktheid per die datum wordt vastgesteld
op 80 tot 100%. Dit besluit is genomen naar aanleiding van het
plotselinge overlijden van de enige zoon van appellant, waardoor
appellant vanwege zijn verwerkingsproblematiek niet in staat was om
persoonlijk en sociaal te kunnen functioneren.
Bij besluit van 8 november 2001 (het bestreden besluit) verklaarde
gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit waarbij hem geen
uitkering is toegekend omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt
beschouwd, ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond en
overwoog daarbij dat gelet op de voorhanden medische gegevens de
rechtbank geen aanknopingspunten heeft gevonden de bevindingen van de
verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Daarbij acht de rechtbank het
met name van belang dat niet is gebleken dat de klachten van appellant
zijn onderschat dan wel onjuist zijn geďnterpreteerd. In ieder geval is
volgens de rechtbank niet gebleken dat appellant op medische gronden
naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding - 30 april
2000 - niet in staat was om de binnen zijn beperkingen vallende
werkzaamheden te verrichten. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag
is de rechtbank van oordeel dat hoewel aan de functie monteur/assembleerder
kan worden getwijfeld vanwege de wisselende diensten, er voldoende
functies overblijven die passend kunnen worden geacht en die de
grondslag kunnen vormen voor de indeling in de
arbeidsongeschiktheidklasse van minder dan 25%.
Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft
aangegeven dat hij op 30 april 2000 vanwege zijn lichamelijke
beperkingen volledig arbeidsongeschikt was. Tot die datum kon hij nog
enigszins functioneren binnen zijn bedrijf omdat zijn zoon, met het oog
op bedrijfsopvolging, hem werkzaamheden uit handen nam. Toen zijn zoon
op 22 mei 2000 plotseling overleed en hij bepaalde werkzaamheden weer
zelf moest gaan verrichten, waren het naast de psychische beperkingen
ook de al reeds langere tijd bestaande lichamelijke klachten die het hem
onmogelijk maakten deze werkzaamheden weer op te pakken. Tevens heeft
hij een brief van neurologe prof. dr. M. de Visser
d.d. 9 augustus 2004 overgelegd waarin wordt vermeld dat er sprake lijkt
te zijn van een zeer geleidelijk progressieve spierzwakte in de
proximale musculatuur van de onderste extremiteiten. Zij adviseert
appellant om tot een nieuw biopt over te gaan op geleide van een CT-scan
van de skeletmusculatuur.
Bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen heeft in haar reactie
van 14 september 2004 aangegeven dat de brief van neurologe De Visser geen
nieuwe of andere medische gegevens bevat dan die waarvan was uitgegaan
bij de eerste beoordeling. De brief bevestigt volgens de
bezwaarverzekeringsarts het bestaan van langzaam progressieve
loopstoornissen, met een versnelling rond het overlijden van de zoon van
appellant en na een knieoperatie in december 2003. Volgens de
bezwaarverzekeringsarts is in de primaire beoordeling bij het
vaststellen van zijn belastbaarheid reeds rekening gehouden met de
beperkende progressieve loopstoornissen van appellant. De gemelde
toenames van de beperkingen zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts van
na de datum in geding en vallen zodoende buiten het bestek van deze
zaak.
Vervolgens heeft appellant een brief van neurologe De Visser overgelegd
van 18 oktober 2004 waarin zij aangeeft dat door middel van een nieuw
spierbiopt met zekerheid is komen vast te staan dat er sprake is van een
spierziekte. Bij brief van 20 december 2004 is zij na nader onderzoek tot de conclusie gekomen dat
er sprake is van een neuromusculaire ziekte, waarschijnlijk neurogeen
van aard, zich uitend in zwakte van de bilspieren.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is van oordeel dat de vaststelling van de spierziekte door
neurologe De Visser op 18 oktober 2004 geen afbreuk doet aan het
standpunt van gedaagde. Bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon
op 2 oktober 2000 is door de verzekeringsarts rekening gehouden met de
toen bestaande verminderde lichamelijke belastbaarheid van appellant.
Uit de door neurologe De Visser verstrekte informatie blijkt niet dat
appellant reeds op de datum in geding - 30 april 2000 - vanwege de
spierziekte dusdanig beperkt was dat hij volledig arbeidsongeschikt
moest worden beschouwd. Dit is ook aannemelijk aangezien neurologe De
Visser in haar brief van 9 augustus 2004 heeft aangegeven dat er sprake
is van een zeer geleidelijk progressieve spierzwakte.
De reden dat appellant zo kort na de datum in geding per 22 mei 2000 wel
volledig arbeidsongeschikt werd geacht, is gelegen in het plotselinge
overlijden van zijn zoon en de bijkomende psychische problematiek.
Duidelijk is evenwel dat appellant na deze datum, vanwege zijn
progressieve spierziekte, steeds meer lichamelijke beperkingen
ondervindt. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van
een deskundige.
Ten aanzien van de arbeidskundige aspecten is de Raad van oordeel dat,
als van de in het rapport van arbeidsdeskundige W. Wolfs op 20 december
2000 geselecteerde functies, de functies waarbij in wisselende dienst
wordt gewerkt en de functies waarvan de actualiseringsdatum gelegen is
na 30 april 2000, vervallen, er voldoende functies overblijven om een
schatting op te baseren. Op basis van die functies is appellant terecht
minder dan 25% arbeidsongeschikt te beschouwen.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van
mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16
februari 2005.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) A. van Netten.
|
|