|
Uitspraak
03/2534
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 1 maart 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellant, na
afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 30 maart 2001 minder
dan 25% arbeidsongeschikt was.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit namens appellant gemaakte bezwaar
bij besluit van 11 september 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft het door R.T. van Baarlen, werkzaam bij De
Fiscount Adviesgroep B.V., namens appellant ingestelde beroep tegen het
besluit van 11 september 2001 (hierna: het bestreden besluit) bij
uitspraak van 14 april 2003, reg.nr. AWB 01/1823 WAZ, ongegrond
verklaard.
De gemachtigde van appellant, voornoemd, heeft tegen deze uitspraak op
bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 januari 2005, waar
voor appellant zijn gemachtigde is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen mr. P.J. Reith, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, die werkzaam was als zelfstandig scheepstimmerman voor
gemiddeld 50 uur per week, heeft een op 28 september 2000 gedateerde
aanvraag om een WAZ-uitkering bij gedaagde ingediend in verband met
slijtage aan knieën en heupen. In zijn aanvraag heeft appellant als
eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 april 2000 aangegeven. In het rapport
van de verzekeringsarts H. Derix van 3 januari 2001 is in de anamnese
onder andere vermeld dat appellant vanaf 1 april 2000 op last van de
huisarts en in overleg met de verzekeraar minder is gaan werken.
Uitgaande van een en ander heeft Derix de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op 1 april 2000 en na onderzoek
van de knieën en de heup de beperkingen van appellant in kaart
gebracht. Dit laatste vond uitwerking in het handgeschreven
FIS-formulier van 3 januari 2001 en de verwoording belastbaarheid van
appellant van 1 februari 2001. Hieruit blijkt onder andere dat zittend
een grotere tilbelasting mogelijk is dan staand, dat appellant een
beperking voor huidcontact met epoxyhars heeft en dat geen medische
urenbeperking is aangegeven. Op basis van de vastgelegde beperkingen en
aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 1 februari 2001 heeft
de arbeidsdeskundige A.F. Heilbron blijkens het rapport van 21 februari
2001 een aantal functies geselecteerd en, uitgaande van de loonwaarde
van de middelste van de drie hoogst verlonende functies, vastgesteld dat
het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 25% bedroeg. Hierna nam
gedaagde het primaire besluit van 1 maart 2001.
In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.M. van der
Lugt blijkens haar rapport van 5 september 2001 de vaststelling van de
eerste arbeidsongeschiktheidsdag door Derix plausibel geacht. Daarvoor
heeft zij naast de door Derix genoemde argumenten gewezen op informatie
van de huisarts van appellant van 25 mei/11 juli 2001, waaruit naar
voren kwam dat appellant met zijn klachten bij de huisarts vanaf 2000
bekend is. Voor het overige heeft Van der Lugt het onderzoek van Derix
onderschreven. Vervolgens heeft gedaagde bij het bestreden besluit het
primaire besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft wat betreft de medische grondslag van het bestreden
besluit zowel de bepaling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1
april 2000 als, daarvan uitgaande, de vaststelling van de voor appellant
in aansluiting op het einde van de wachttijd in aanmerking te nemen
beperkingen niet als onjuist beoordeeld. Bij gebreke reeds van medische
gegevens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien tot vaststelling op
grond van artikel 36, tweede lid, van de WAZ en het daarop gebaseerde
beleidskader op grond van het Besluit toekenning WAZ-uitkering met
terugwerkende kracht t.a.v. (te) lang doorwerkende WAZ-verzekerden
(Besluit van gedaagde van 10 december 1997, Stcrt. 1997,247) van een
eerdere eerste arbeidsongeschikheidsdag en een daaruit voortvloeiende
verdergaande terugwerkende kracht van de WAZ-uitkering dan 1 jaar voor
indiening van de aanvraag. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft
de rechtbank met betrekking tot de gesignaleerde overschrijding in
verschillende functies van de belastbaarheid van appellant in verband
met zijn beperking voor huidcontact met epoxyhars gewezen op de naar
haar oordeel voldoende onderbouwing van de geschiktheid van de
betreffende functies op dit punt in het rapport van de
bezwaararbeidsdeskundige J. Kijvekamp van 27 mei 2002. Voorts heeft de
rechtbank geen aanleiding gezien de actualiseringsdata van de functies
assemblage medewerker (fb-code 8463) en monteur (fb-code 8538), te weten
29 oktober en 3 november 1999, derhalve ongeveer 1 jaar en vijf maanden
voor de datum bij het bestreden besluit in geding, onaanvaardbaar te
achten. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat gedaagde zich niet
heeft uitgelaten over de vraag of appellant op 1 april 2000 nog in staat
was gedurende de omvang van zijn maatmanfunctie, te weten 50 uur per
week, arbeid te verrichten, heeft zij ter zake gewezen op de uitspraak
van de Raad van 30 mei 2000 (USZ 2000,165) en heeft zij in verband
hiermede geoordeeld dat niet kan worden worden vastgesteld of de
resterende verdiencapaciteit op de juiste wijze is berekend, terwijl
gedaagde kennelijk uitsluitend heeft beoordeeld of appellant nog
werkzaamheden kon verrichten gedurende een normale werkdag. In de uit
artikel 10, tweede lid, van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten voortvloeiende maximering van de
restverdiencapaciteit op het maatmaninkomen van appellant vanwege de
omvang van de maatmanfunctie heeft de rechtbank, indien deze zou worden
toegepast, evenwel geen aanleiding gezien tot vernietiging van het
bestreden besluit over te gaan, nu deze maximering alsdan niet zou
leiden tot een verlies aan verdiencapaciteit van 25% of meer.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn in eerste aanleg
voorgedragen bezwaren tegen de in de aangevallen uitspraak beoordeelde
aspecten van het bestreden besluit, zoals die beoordeling hiervoor is
weergegeven, in essentie herhaald. Voorts heeft de gemachtigde gesteld
dat de functie monteur/monteuse (fb-code 8533) ongeschikt is vanwege een
overschrijding van de tilbelasting. Verder heeft hij aangevoerd dat deze
functie en de functie met de fb-code 8463 vanwege de vereiste bediening
van een voetpedaal ongeschikt zijn, nu Derix in zijn onderzoek had
vastgesteld dat appellant vanwege knieklachten beiderzijds tot 0 graden
kan strekken.
De Raad onderschrijft de vaststelling van de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag door gedaagde op 1 april 2000 op de hiervoor
weergegeven, door Derix en Van der Lugt genoemde gronden. Appellant
heeft geen gegevens van medische aard overgelegd op grond waarvan het
aannemen van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag op bijvoorbeeld
uiterlijk 1 januari 1998, zoals door zijn gemachtigde ter zitting is
genoemd, aangewezen zou zijn. Om die reden komt naar het oordeel van de
Raad toepassing van het hiervoor genoemde Besluit van gedaagde van 10
december 1997 ook niet aan de orde. Voorts heeft appellant evenmin met
gegevens van medische aard aannemelijk gemaakt dat hij op de datum in
geding maximaal 2 uur per dag zou kunnen werken. Ook overigens is de
Raad niet gebleken dat de medische grondslag van het bestreden besluit
onjuist is.
Met betrekking tot de vraag of de geduide functies binnen de voor
appellant vastgestelde belastbaarheid blijven overweegt de Raad in de
eerste plaats met de rechtbank de uitvoerige uiteenzetting van Kijvekamp
te onderschrijven omtrent de toepassing van epoxyhars in het algemeen en
het mogelijk voorkomen van epoxyhars, voorzover zulks volgens Kijvekamp
valt na te gaan, in materialen aan de orde bij onder andere de drie voor
de schatting gebruikte functies in het bijzonder. Op grond van enkel het
door de gemachtigde van appellant eveneens in eerste aanleg in geding
gebrachte rapport van de arbeidsdeskundige A.L. van Summeren van 14
februari 1992, waarin in algemene zin op de toen nog betrekkelijk
recente toepassing van epoxyhars werd ingegaan, valt naar het oordeel
van de Raad niet te stellen dat de uiteenzetting van Kijvekamp inzake
het epoxyhars onjuist of onvolledig moet worden geacht. Met betrekking
tot de bediening van een voetpedaal in de fb-codes 8463 en 8533, hetgeen
naar het de Raad voorkomt afgaande op de verkorte functieomschrijvingen
en de verwoording functiebelasting van de functie monteur/monteuse in
deze functies weinig freqeunt aan de orde is, overweegt de Raad dat het
onbelast moeten kunnen bewegen van de beide benen, zoals vermeld in het
rapport van Derix, niet een bevinding van hem is maar alleen door
appellant zelf in de anamnese is vermeld. Voorts acht de Raad de
overschrijding van de tilbelasting in laatstgenoemde functie met onder
andere de beschouwing van Van der Lugt omtrent de door Derix op dit
aspect aangenomen beperking van de belastbaarheid, welke beperking zij
kennelijk te vergaand acht, voldoende toegelicht.
Ten aanzien van de aan te houden actualiseringsdata van de aan de
onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies heeft de Raad in
hetgeen de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangevoerd geen
aanknopingspunten gezien om af te wijken van de uitgangspunten
daaromtrent, zoals de Raad deze heeft uiteengezet in zijn uitspraak van 3 februari 2004 (USZ 2004,105). De Raad stelt vast dat de drie voor de
schatting gebruikte functies aan deze uitgangspunten voldoen.
Wat betreft de maximering van de resterende verdiencapaciteit in verband
met artikel 10, tweede lid, van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten stelt de Raad met de rechtbank vast dat
vanwege gedaagde niet kenbaar is onderzocht of voor appellant ten tijde
van de datum in geding een medische urenbeperking gold ter grootte van
bijvoorbeeld een werkweek van 38 uur per week dan wel dat gedaagde in
staat moest worden geacht tot het verrichten van passend werk in de
urenomvang van de maatman. In het onderhavige geval heeft de rechtbank
hierin om de hiervoor aangegeven reden evenwel geen aanleiding gezien
tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan. De Raad
onderschrijft dit oordeel, zij het dat, indien een medische
urenbeperking zou moeten worden aangenomen tot bijvoorbeeld 38 uur per
week - het aantal uren dat gedaagde bij de beoordeling van de
restverdiencapaciteit, gezien de urenomvang van de voor de schatting
gebruikte functies kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen -, zulks
in dit geval, zoals ook van de zijde van gedaagde ter zitting is
aangegeven, na toepassing van de uit artikel 10, tweede lid, van
evengenoemd Schattingsbesluit voortvloeiende maximering van die
restverdiencapaciteit van in dit geval f 19,74 per uur ook nog tot
toepassing van de op grond van het Besluit uurloonschatting in
aanmerking te nemen reductiefactor van 38/50 zou moeten leiden. Dit zou
evenwel in dit geval, waarbij de maximering leidt tot vaststelling van
de mediane loonwaarde op het maatmaninkomen van f 10,57 bruto per uur,
gegeven de alsdan in aanmerking te nemen reductiefactor van 38/50 geen
wijziging brengen in de conclusie van de rechtbank dat het verlies aan
verdiencapaciteit niet 25% of meer bedraagt.
Uit al het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte
standhoudt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd,
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|