|
Uitspraak
03/2459 WAZ en 4103 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 mei 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellante
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25
tot 35%.
Bij besluit van 10 januari 2001 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante tegen het besluit van 18 mei 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 7 april 2003,
reg.nr. AWB 01/291 WAZ, het beroep van appellante tegen het besluit van
10 januari 2000 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde
opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van
haar uitspraak, met aanvullende beslissingen over de vergoeding van
proceskosten en griffierecht.
Appellante heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een afschrift ingezonden
van een besluit van 31 juli 2003, gegeven ter uitvoering van de
uitspraak van de rechtbank, waarin het bezwaar van appellante wederom
ongegrond wordt verklaard.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 januari
2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. I.H.M.
Hest, advocaat te Eindhoven en waar gedaagde zich niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellante, die als zelfstandige werkzaam is geweest in een café, heeft
ingaande 4 maart 1995 een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%
ontvangen, nadien omgezet in een uitkering ingevolge de WAZ, in verband
met de diagnoses M. Crohn en psoriasis.
Op 25 oktober 1999 heeft appellante om voortzetting van de uitkering
verzocht. Daarop heeft de verzekeringsarts na onderzoek van appellante
op 6 april 2000 geconcludeerd tot een gelijk gebleven belastbaarheid,
terwijl de arbeidsdeskundige op grond van deze belastbaarheid,
neergelegd in een belastbaarheidsprofiel, op 10 april 2000 een verlies
aan verdienvermogen van 32,7% heeft berekend, op basis van de mediane
loonwaarde van een drietal geselecteerde functies, vergeleken met het
(geïndexeerde) inkomen van de maatvrouw. Hierop heeft gedaagde bij het
primaire besluit van 18 mei 2000, in stand gelaten bij het besluit van
10 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante
onveranderd vastgesteld op 25 tot 35%.
In beroep tegen het besluit van 10 januari 2001 heeft appellante in
hoofdzaak aangevoerd dat haar belastbaarheid niet gelijk gebleven doch
verminderd is en dat zij niet in staat is de hele dag te werken. Voorts
heeft zij overgelegd een expertiserapport gedateerd 12 januari 2002 van
de revalidatiearts dr. R.M. van Mechelen, waarin deze in verband met de
bij appellante bestaande ziekte van Crohn aanpassing van het
belastbaarheidspatroon noodzakelijk heeft geoordeeld en de voorgehouden
functies niet haalbaar heeft geacht. Hierop heeft de rechtbank
appellante doen onderzoeken door de orthopedisch chirurg dr. J.B.A. van
Mourik en door de gastro-enteroloog dr. E.W. van der Hoek. De deskundige
Van Mourik heeft in zijn rapport van 4 april 2002, dat later is
aangevuld bij brief van 4 november 2002, bij appellante vastgesteld de
ziekte van Crohn met begeleidende arthralgieën en voetklachten links in
verband met een doorgemaakte klompvoetbehandeling waarvoor orthopedisch
schoeisel gedragen wordt. Hij heeft geconcludeerd dat appellante geen
werkzaamheden kan verrichten waarbij zij meer dan 5 minuten moet lopen
of staan en heeft haar mede deswege meer beperkt geacht dan de
verzekeringsarts op de punten 2 (staan), 3 (lopen), 4 (trappenlopen) en
5 (klimmen en klauteren) van het belastbaarheidsprofiel. De deskundige
Van der Hoek is in zijn rapport van 5 augustus 2002, dat later is
aangevuld bij brief van 4 december 2002, tot de volgende slotsom
gekomen: “Concluderend is er bij betrokkene sprake van de ziekte van
Crohn sinds 1992 waarbij op 18 mei 2000 nauwelijks tekenen van
ziekteactiviteit waren. Haar klachten kunnen dan ook niet goed door de
ziekte van Crohn verklaard worden en ook niet door andere aandoeningen
op mijn terrein.”
De rechtbank heeft daarop in de aangevallen uitspraak het besluit van 10
januari 2001 vernietigd, zich aansluitend bij de conclusie van de
deskundige Van Mourik dat de belastbaarheid van appellante door gedaagde
is onderschat.
In hoger beroep heeft appellante aangegeven het niet eens te zijn met de
door de rechtbank ingeschakelde deskundigen, in het bijzonder niet met
het rapport van dr. Van der Hoek.
Gedaagde, die in de uitspraak heeft berust, heeft ter uitvoering daarvan
bij besluit van 31 juli 2003 een nadere beslissing op bezwaar gegeven, waarin de mate
van arbeidsongeschiktheid onveranderd is vastgesteld op 25 tot 35%. Dit
besluit berust op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, waarin hij
de belastbaarheid van appellante op de punten 2, 3, 4 en 5 op basis van
het rapport van de deskundige Van Mourik heeft aangescherpt, met als
conclusie dat met inachtneming van deze zwaardere beperkingen de eerder
geselecteerde functies onveranderd voor appellante geschikt zijn.
De Raad stelt voorop dat het besluit van 31 juli 2003, waarmee niet is
tegemoet gekomen aan het beroep van appellante, op de voet van de
artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure dient te worden
betrokken. Voorts heeft appellante, nu zij heeft verzocht om gedaagde te
veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente, belang behouden bij een
oordeel van de Raad met betrekking tot het besluit van 10 januari 2001.
Ten aanzien van het medische aspect van de schatting is de Raad, met de
rechtbank, van oordeel dat de rapporten van de orthopedisch chirurg Van
Mourik en de gastro-enteroloog Van der Hoek dienen te worden gevolgd.
Het rapport van de revalidatiearts Van Mechelen, dat in hoofdzaak
bestaat uit een bespreking van de onderzoeksbevindingen van andere
medici en van geraadpleegde literatuur, acht de Raad, afgewogen tegen de
onderzoeksrapporten van deze onafhankelijke deskundigen, niet van
doorslaggevende betekenis. Het rapport van de deskundige Van Mourik is
namens appellante voorts wel bestreden, maar zonder enige onderbouwing.
Ten aanzien van het rapport van de deskundige Van der Hoek is namens
appellante ter zitting van de Raad gesteld dat deze er ten onrechte van
zou zijn uitgegaan dat de ziekte van Crohn op de datum in geding minder
actief was. De bevinding van Van der Hoek vindt naar ’s Raads oordeel
echter voldoende steun in een brief van de behandelende
gastro-enteroloog dr. J.M.J.I. Salemans van 28 juni 2000 en derhalve van
kort na de datum in geding (18 mei 2000), in welke brief onder
vermelding van onderzoeksgegevens uit het voorafgaande halfjaar het
volgende wordt gesteld: “Haar Crohnse colitis lijkt thans in remissie,
zowel biochemisch, radiologisch als endoscopisch.”
Wat het nadere besluit van 31 juli 2003 betreft heeft de gemachtigde van
appellante gesteld dat dit onvoldoende recht zou doen aan de bevindingen
van de deskundige Van Mourik, omdat in de - opnieuw - geschikt geoordeelde
functies van stikster meubelbekleding (fb-code 7964),
assemblagemedewerker (fb-code 8463), printmonteur (fb-code 8538) en
heftruckchauffeur (fb-code 9792) sprake zou zijn van een te grote
belasting van de voeten. Ter adstructie hiervan heeft de gemachtigde er
op gewezen dat Van Mourik de functie van heftruckchauffeur niet geschikt
heeft geacht wanneer voor het uitoefenen van die functie het gebruik van
de linkervoet noodzakelijk is, terwijl zij er verder op heeft gewezen
dat in de functies van stikster en assemblagemedewerker voetpedalen
moeten worden bediend en dat in de functie van printmonteur regelmatig 25 meter gelopen moet worden. Dienaangaande merkt de Raad op dat de
functie van heftruckchauffeur niet behoort tot de drie functies waar de
schatting op berust, terwijl hetgeen verder is gesteld wordt weerlegd
door de brief van de deskundige Van Mourik van 4 november 2002, waarin
deze op eerder in gelijke zin geuite bezwaren aangaande de voetpedalen
en het lopen het volgende heeft geantwoord: “Naar mijn mening moet
betrokkene daar wel toe in staat worden geacht, omdat er een goede
functie van de enkelgewrichten mogelijk is voor de bediening van de
pedalen en lopen tot 5 minuten goed mogelijk moet zijn.”
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient
te worden bevestigd en dat de mate van arbeidsongeschiktheid, conform
het besluit van 31 juli 2003, vastgesteld dient te blijven naar de
klasse van 25 tot 35%. Dit brengt tevens mee dat voor toewijzing van het
verzoek tot rentevergoeding geen aanleiding bestaat.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep, voor zover dat moet worden geacht mede gericht te
zijn tegen het besluit van 31 juli 2003, ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|