|
Uitspraak
03/1999
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
’s-Hertogenbosch op 19 maart 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr.
AWB 02/341 WAZ), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 18 juni
2003 (met bijlagen) een nadere toelichting gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 januari 2005, waar
appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr.
M.J.J. Kunst, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De feiten die in rubriek 1 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld,
worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het
uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft
appellante haar standpunt herhaald dat zij zich niet kan verenigen met
de op basis van het belastbaarheidspatroon vastgestelde
arbeidsmogelijkheden en dat zij zich op grond van de bij haar aanwezige
lichamelijke en geestelijke beperkingen niet in staat en geschikt acht
om de geselecteerde functies uit te voeren. Tevens heeft zij aangevoerd
dat de rechtbank haar afwijzing van een nieuw onafhankelijk medisch
onderzoek niet heeft onderbouwd.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank de beslissing om geen medisch
deskundige te benoemen niet expliciet heeft onderbouwd, maar ziet hierin
onvoldoende grond om tot vernietiging van de aangevallen uitspraak over
te gaan. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de
verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor
akkoord bevonden beperkingen zoals neergelegd in het
belastbaarheidspatroon, voor onjuist te houden. Dit standpunt is
afdoende gemotiveerd. Daaruit blijkt dat naar het oordeel van de
rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit door de
voorhanden zijnde medische gegevens niet in twijfel wordt getrokken. In
zo’n situatie bestaat geen aanleiding gebruik te maken van de in
artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid
tot het benoemen van een deskundige. De enkele betwisting door
appellante van de medische grondslag van het bestreden besluit geeft
evenmin aanleiding om tot het benoemen van een deskundige over te gaan.
Ook in hoger beroep heeft appellante haar stelling dat haar
arbeidsmogelijkheden zijn overschat en dat zij niet in staat is de
geselecteerde functies te vervullen niet onderbouwd met nadere gegevens.
De Raad gaat aan die stelling dan ook voorbij en verenigt zich met het
oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een juiste
medische grondslag berust en dat appellante met inachtneming van de voor
haar geldende beperkingen in staat moet worden geacht de aan de
schatting ten grondslag liggende functies te verrichten.
De Raad kan zich eveneens verenigen met het oordeel van de rechtbank
over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en maakt ook
dit oordeel tot het zijne. Dit betekent dat gedaagde appellante met
ingang van 14 juli 1998 terecht niet in een relevante mate
arbeidsongeschikt in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) heeft geacht en dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23
februari 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|