|
Uitspraak
01/5067 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 31
juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer:
AWB 01/1216 WAZ.
Namens gedaagde heeft M.E. van Waart, advocaat te Bussum, een
verweerschrift ingediend.
De fungerend president van de Raad heeft bij brief van 29 juli 2002 aan
gedaagdes gemachtigde onder meer meegedeeld vooralsnog geen aanleiding
te zien tot inwilliging van het namens gedaagde gedane verzoek tot
versnelde behandeling van de zaak.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2003, waar
voor appellant is verschenen mr. R.M.J. van Steenwijk, werkzaam bij het
Uwv, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.E. van Waart,
voornoemd.
Bij brieven van 28 oktober 2003 heeft de Raad partijen meegedeeld dat
het onderzoek niet volledig is geweest en dat in verband daarmee het
onderzoek wordt heropend.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad de psychiater prof. G.F.
Koerselman verzocht als deskundige omtrent gedaagde te rapporteren.
Bij rapport van 21 oktober 2004 heeft Koerselman aan dat verzoek
voldaan.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 11 januari
2005. Appellant is daar met voorafgaand bericht niet verschenen, terwijl
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. Van
Waart.
II. MOTIVERING
Gedaagde is op 31 juli 1993 wegens slaapstoornissen uitgevallen voor
zijn toenmalige werkzaamheden als technisch directeur van een
metaalwarenbedrijf. De hem in verband daarmee toegekende uitkering
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is met ingang van 29 mei
1996 weer ingetrokken op de grond dat de mate van zijn
arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 25%. Het tegen het
desbetreffende intrekkingsbesluit ingestelde beroep is bij uitspraak van
de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 1998 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank
doorslaggevende betekenis gehecht aan een rapport van 18 maart 1998 van
de als deskundige geraadpleegde neuroloog dr. G.K. van Wijngaarden, die
op grond van het door hem ingestelde onderzoek tot de conclusie was
gekomen dat op en na 29 mei 1996 voor gedaagde geen medisch aanwijsbare
beperkingen bestonden die hem verhinderden zijn werk als technisch
directeur te verrichten. Bij uitspraak van 10 juli 2001 is genoemde
uitspraak van de rechtbank in hoger beroep door de Raad bevestigd.
In verband met een door gedaagde ondergane behandeling in het Centrum
voor Slaap- en Waakstoornissen, was gedaagde inmiddels desgevraagd met
ingang van 19 augustus 1997 weer in aanmerking gebracht voor een
volledige AAW-uitkering.
Bij besluit van 9 december 1998 heeft appellant vervolgens de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van gedaagde - die vanaf 1 januari 1998
werd verstrekt ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) - met ingang van
30 december 1998 weer beëindigd. Blijkens de daaraan ten grondslag
liggende verzekeringsgeneeskundige rapportage berust die intrekking op
de, in het bijzonder aan het eerder vermelde rapport van de neuroloog
Van Wijngaarden ontleende, zienswijze dat geen sprake (meer) is van op
ziekte of gebreken terug te voeren arbeidsbeperkingen.
In bezwaar is namens gedaagde een rapport, gedateerd 17 maart 1999,
ingebracht van de aan Lancée Assessment & Interventie Centra
Nederland B.V., vestiging Assen, verbonden neuropsycholoog drs. G.
Kraaijenbrink, die gedaagde op diens verzoek had onderzocht. Tevens zijn
rapporten ingebracht van de psycholoog dr. D. Waterman, gespecialiseerd
in onderzoek naar en behandeling van slaapstoornissen, en van de
psychiater A.C. Bruijns. Eerstgenoemde onderzoeker achtte bij gedaagde
diverse beperkingen aanwezig als gevolg van zijn problematiek. Ook
Bruijns die - evenals Waterman - gedaagdes aandoening diagnosticeerde
als een zogeheten circadiane ritmestoornis, achtte gedaagde deswege
eveneens beperkt in zijn functioneren.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in evenvermelde rapporten evenwel geen
aanleiding gezien voor een van dat van de primaire verzekeringsarts
afwijkend oordeel, waarna appellant bij het bestreden besluit van 27
februari 2001 het bezwaar tegen het primaire besluit van 9 december 1998
ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de namens
gedaagde aangedragen informatie van de behandelend sector de
bezwaarverzekeringsarts van appellant aanleiding had moeten geven te
(laten) onderzoeken of de klachten van gedaagde die door de
verschillende deskundigen zijn geconstateerd en bevestigd, hun oorzaak
op psychiatrisch terrein vinden. De door de bezwaarverzekeringsarts van
appellant gegeven motivering dat geen organisch substaat is gevonden,
acht de rechtbank onvoldoende, in het licht van de door Waterman en
Bruijns gestelde diagnose op het psychiatrisch vlak. Bovendien had,
aldus de rechtbank, de bezwaarverzekeringsarts, gelet ook op
jurisprudentie van de Raad, in de rapporten van de deskundigen
aanleiding moeten vinden te onderzoeken of gedaagde op grond van de
geconstateerde gebreken ondanks het ontbreken van een diagnose
arbeidsongeschikt moest worden geacht. De rechtbank heeft geconcludeerd
dat er geen zorgvuldig onderzoek door appellant is verricht en dat het
bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
Appellant kan zich met de evenvermelde overwegingen en het daarop
gebaseerde oordeel van de rechtbank niet verenigen. Appellant stelt zich
blijkens de in het beroepschrift aangegeven gronden op het standpunt dat
er wel een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat het
bestreden besluit wel toereikend is gemotiveerd. In dit verband heeft
appellant naar voren gebracht dat de bezwaarverzekeringsarts wel oog
heeft gehad voor eventuele beperkingen bij gedaagde op het psychische
vlak, maar dat zij geen reden had om te twijfelen aan de visie van de
neuroloog Van Wijngaarden. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar de
zienswijze van appellant voorts voldoende gemotiveerd waarom zij afwijkt
van de bevindingen en conclusies van Kraaijenbrink, Waterman en Bruijns.
De Raad overweegt als volgt.
Naar reeds blijkt uit rubriek I van deze uitspraak heeft de Raad
aanleiding gevonden om gedaagde door een onafhankelijk psychiater te
doen onderzoeken. De deskundige Koerselman is op grond van het door hem
ingestelde onderzoek tot de conclusie gekomen dat gedaagde op de datum
in geding leed aan een classificeerbare, matig ernstige depressieve
stoornis, waaruit bepaalde, door hem nader aangegeven, beperkingen
voortvloeiden. Koerselman kan zich niet verenigen met het oordeel van de
verzekeringsartsen van appellant dat er geen sprake was van ziekte of
gebrek, in welk verband hij erop heeft gewezen dat ook bij eerdere
onderzoeken afwijkingen op psychiatrisch gebied zijn vastgesteld. De
aldus op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen van gedaagde met
betrekking tot het verrichten van arbeid op 30 december 1998 heeft de
deskundige in het bijzonder beschreven als vermoeidheid,
concentratieverlies en vergeetachtigheid. Gedaagde is als gevolg hiervan
volgens Koerselman op de datum in geding en ten tijde van het onderzoek
in meerdere of mindere mate beperkt ten aanzien van gedwongen werktempo,
het halen van deadlines, productiepieken, conflicterende functie-eisen,
concentratie en het verdelen van de aandacht.
De Raad heeft geen aanknopingspunten om de deskundige Koerselman niet in
vorenomschreven conclusies te volgen. De Raad merkt hierbij in de eerste
plaats op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het oordeel van een
door de rechter geraadpleegde deskundige in beginsel pleegt te worden
gevolgd, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot
het aannemen van een uitzondering op die regel. Van een zodanige
uitzondering is in het onderhavige geval niet gebleken. De conclusies
van de deskundige Koerselman berusten op een voldoende zorgvuldig te
achten onderzoek en zijn aan de hand van relevante medische inzichten
genoegzaam gemotiveerd. Van de zijde van appellant is voorts niet
inhoudelijk op het deskundigenrapport gereageerd.
De Raad gaat er aldus vanuit dat ten aanzien van gedaagde ten tijde hier
in geding op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen waren aan te
geven als in het rapport van de deskundige Koerselman vermeld. Het
bestreden besluit, waarin is uitgegaan van het geheel ontbreken van
zodanige beperkingen, berust derhalve op een onjuiste medische
grondslag, in verband waarmee dat besluit in rechte geen stand kan
houden. De in hoger beroep aan de orde gestelde vraag of de rechtbank al
dan niet moet worden gevolgd in haar oordeel dat de
bezwaarverzekeringsarts onvoldoende onderzoek heeft verricht, behoeft
gelet op het vorenoverwogene geen bespreking meer. De aangevallen
uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd, dient - met
aanvulling dan wel wijziging van gronden - te worden bevestigd, zij het
dat appellant bij uitvoering van de opdracht tot het nemen van een nieuw
besluit op het bezwaar van gedaagde de door de Raad in deze uitspraak
gegeven overwegingen en oordelen in acht dient te nemen.
De namens gedaagde verzochte vergoeding van schade in de vorm van
wettelijke rente over ten onrechte niet betaalde WAZ-uitkering komt, nu
uit het hiervoor overwogene volgt dat gedaagde op de datum in geding nog
recht kan doen gelden op ongewijzigde voortzetting van een volledige
uitkering ingevolge die wet, met toepassing van artikel 8:73 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor inwilliging in aanmerking. Met
betrekking tot de wijze waarop appellant die schade dient te berekenen
volstaat de Raad kortheidshalve met een verwijzing naar zijn uitspraak
van 1 november 1995, gepubliceerd onder meer in JB 1995/314. Niet voor
toewijzing vatbaar evenwel is het verzoek van gedaagde om vergoeding van
schade, eveneens bestaande uit wettelijke rente, over een gesteldelijk
onbetaald gebleven arbeidsongeschiktheidsuitkering van een particuliere
verzekeringsmaatschappij, nu niet is aangetoond dat er een rechtens
relevant te achten verband aanwijsbaar is tussen die gestelde schade en
het onderhavige onrechtmatig gebleken besluit van appellant.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand. Namens gedaagde is tevens verzocht om vergoeding van de
kosten die zijn verbonden aan het uitbrengen door de neuropsycholoog G.
Kraaijenbrink in de bezwaarfase van diens eerder vermelde rapport van 17
maart 1999. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad met betrekking
tot artikel 8:75 van de Awb zoals dat artikel luidde ten tijde hier van
belang, komen in de bezwaarprocedure gemaakte kosten echter niet voor
vergoeding in aanmerking, tenzij zich de bijzondere situatie voordoet
dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat
gezegd moet worden dat appellant het primaire besluit tegen beter weten
in heeft genomen. De Raad heeft, gelet ook op de door appellant bij het
nemen van het primaire besluit van 9 december 1998 gehanteerde
uitgangspunten, als hiervoor weergegeven, geen aanknopingspunten om het
ervoor te houden dat zulks hier ten aanzien van dat besluit het geval
is.
Ten slotte overweegt de Raad dat gedaagde geen belang heeft bij haar
verzoek aan de Raad om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van
de Awb te bepalen dat gedaagde, zolang appellant niet aan de hand van
nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek, daarbij de conclusies van de
deskundige Koerselman in acht nemende, en - in het bijzonder - aan de
hand van arbeidskundig onderzoek nader zal hebben beslist omtrent zijn
aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in het genot dient te
worden gelaten van een naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid
bepaalde uitkering. Onder verwijzing naar hetgeen ook reeds hiervoor is
overwogen in het kader van gedaagdes renteclaim merkt de Raad in dit
verband op dat een eventuele verlaging of intrekking van gedaagdes
uitkering op grond van aan theoretische functies te ontlenen resterende
verdiencapaciteit gegeven de door appellant jegens gedaagde in acht te
nemen zorgvuldigheid slechts per een toekomende datum kan worden geëffectueerd.
Onder verwijzing naar het verhandelde ter terechtzitting, waarin van de
zijde van gedaagde - andermaal - aandacht is gevraagd voor de weinig
rooskleurige financiële situatie waarin hij verkeert, en mede gelet op
hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aanspraken op
uitkering van gedaagde op de datum in geding, als hiervoor overwogen,
overweegt de Raad erop te vertrouwen dat appellant met voortvarendheid
uitvoering zal geven aan deze uitspraak.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit neemt op het bezwaar van gedaagde met inachtneming van
hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen en geoordeeld;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van schade als hiervoor is
aangegeven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|