|
Uitspraak
02/5448 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Canada), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft C.F.J. van den Heuvel te Rotterdam, op daartoe
bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2002, nr. AWB 02/1293
WAZ, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 februari 2005,
waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.M. Kleijs,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
II. MOTIVERING
Appellant is geboren [in] 1937 en heeft vanaf 1955 tot in 1969 in
Nederland werkzaamheden in loondienst verricht. In of omstreeks april
1969 is appellant verhuisd naar Canada, alwaar hij sindsdien woont. In
Canada is appellant vervolgens werkzaam geweest als zelfstandige.
Blijkens een opgave van het Canadese uitvoeringsorgaan heeft appellant
bijdragen betaald voor het Canada Pension Plan (hierna: CPP) over de
jaren 1969 tot en met 1982, 1988, 1997 en 1998.
In augustus 1999 heeft appellant via het Canadese uitvoeringsorgaan een
aanvraag ingediend voor een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering
in verband met arbeidsongeschiktheid die op 8 januari 1992 zou zijn
ingetreden na een val op het ijs tijdens werkzaamheden aan een
vrachtwagen. Bij brief van 16 november 2000 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij met ingang van 5 oktober 1998 in principe recht
heeft op een geprorateerde uitkering ingevolge de Nederlandse
arbeidsongeschiktheidswetgeving voor zelfstandigen. Tevens is aan
appellant verzocht diverse formulieren in te vullen en te retourneren.
Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 1 februari 2001 aan appellant
nadere informatie gevraagd over zijn bijdragen aan het CPP, omdat was
gebleken dat hij in het jaar waarin zijn arbeidsongeschiktheid is
ingetreden geen bijdragen aan het CPP heeft betaald. Bij brief van 18
maart 2001 heeft appellant een overzicht van zijn bijdragen aan het CPP
aan gedaagde verzonden, waaruit blijkt dat hij vanaf 1989 tot en met
1996 geen bijdragen aan het CPP heeft betaald.
Bij besluit van 24 april 2001 heeft gedaagde geweigerd een uitkering
ingevolge de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetgeving voor
zelfstandigen aan appellant toe te kennen, omdat appellant ten tijde van
het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid op 8 januari 1992 niet
verzekerd was ingevolge de Canadese wetgeving inzake pensioenen, zijnde
het CPP. Daarbij is overwogen dat appellant op grond van het Verdrag
inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada
van 26 februari 1987 (Trb. 1987, 66 en Trb. 1989, 115; hierna: het
Verdrag) aanspraak zou kunnen maken op een Nederlandse
arbeidsongeschiktheidsuitkering als hij op het moment van intreden van
zijn arbeidsongeschiktheid verzekerd was ingevolge de Canadese wetgeving
inzake pensioenen.
Bij beslissing op bezwaar van 31 augustus 2001 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van
24 april 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant in
1992 niet onderworpen was aan het CPP omdat hij in dat jaar geen
contributie heeft betaald aan het CPP. Het feit dat appellant toen wel
verzekerd was voor de gevolgen van arbeidsongeschiktheid bij de Workers
Compensation Board of British Columbia (WCB) kan hieraan volgens
gedaagde niet afdoen, nu in het Verdrag alleen het CPP is vermeld als
relevante wetgeving en de WCB-uitkering niet beschouwd kan worden als
pensionabel inkomen in de zin van het CPP.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. In
hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende recht is gedaan
aan artikel II, eerste lid, sub a.ii van het Verdrag, waarin als
wetgeving waaraan een betrokkene voor een aanspraak op uitkering met
toepassing van het Verdrag onderworpen dient te zijn, ten tijde van de
aanvang van de arbeidsongeschiktheid, is vermeld het CPP en de
krachtens deze wet getroffen regelingen. Appellant meent dat zijn
verzekering bij de WCB als een zodanige regeling aangemerkt moet worden.
Verder is opgemerkt dat appellant vanaf zijn 64e verjaardag een
uitkering ontvangt van het CPP. Ten slotte is aangevoerd dat gedaagde
verwachtingen heeft gewekt bij appellant door de brief van 16 november
2000, welke gehonoreerd dienen te worden.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat appellant uitsluitend met toepassing van
het Verdrag aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ingevolge de Nederlandse wetgeving, nu hij ten tijde van het intreden
van zijn arbeidsongeschiktheid al vele jaren niet meer verzekerd was in
Nederland.
Ingevolge artikel XII van het Verdrag kan een onderdaan van Nederland of
Canada, wanneer hij ten tijde van het ontstaan van de
arbeidsongeschiktheid onderworpen was aan de in artikel II, eerste lid,
sub a.ii van het Verdrag vermelde wetgeving en hij voordien tenminste in
totaal twaalf maanden krachtens de Nederlandse wetgeving verzekerd is
geweest, aanspraak maken op een uitkering krachtens de Nederlandse
wetgeving en berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel XIII van
het Verdrag. Artikel II, eerste lid, sub a.ii vermeldt: het CPP en de
krachtens deze wet getroffen regelingen.
In zijn uitspraak van 23 september 1998 (gepubliceerd in RSV 99/37),
gewezen in een soortgelijk geding, heeft de Raad vastgesteld dat
personen van 18 tot 70 jaar die in Canada werkzaam zijn als werknemer of
zelfstandige onder de dekking van het CPP vallen mits zij een bepaald
minimuminkomen verwerven. Personen met een inkomen beneden dat minimum
betalen geen premie (contribution) en zijn geen contributor. Verder
heeft de Raad toen overwogen dat uitsluitend een contributor geacht kan
worden onderworpen te zijn aan het CPP als bedoeld in artikel XII. Nu
vaststaat dat appellant in het jaar 1992, evenals in de daaraan direct
voorafgaande jaren, geen contributor was - zoals hiervoor bedoeld - moet geconcludeerd worden dat appellant op het
tijdstip waarop zijn arbeidsongeschiktheid is ingetreden niet
onderworpen was aan het CPP.
Voorts is de Raad van oordeel dat op basis van de thans beschikbare
gegevens niet geconcludeerd kan worden dat de - volgens appellant
verplichte - verzekering bij de WCB aangemerkt moet worden als een
regeling getroffen krachtens het CPP, als bedoeld in artikel II van het
Verdrag. Door appellant zijn geen gegevens overgelegd waaruit afgeleid
kan worden dat de verzekering bij de WCB op een dergelijke regeling is
gebaseerd.
Ten slotte is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant aan de
brief van gedaagde van 16 november 2000 niet een rechtens te honoreren
vertrouwen kon ontlenen dat hem een geprorateerde
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou worden toegekend. In de brief wordt
immers een duidelijk voorbehoud gemaakt, zodat niet kan worden gezegd
dat de brief een onvoorwaardelijke en ongeclausuleerde toezegging bevat.
Uit het voorgaande volgt dat, op basis van de thans beschikbare
gegevens, gedaagde terecht heeft geweigerd aan appellant een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Nederlandse wetgeving toe
te kennen. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als
volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|