|
Uitspraak
02/5825 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft [gemachtigde], toentertijd werkzaam bij Juricon Adviesgroep
BV, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Almelo onder
dagtekening 22 oktober 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr.
02/237 WAZ), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 19 december 2002 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 februari
2005, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde [gemachtigde],
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
W.J. Belder, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de door gedaagde onder
verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) bij het thans bestreden en op bezwaar genomen
besluit van 12 maart 2002 gehandhaafde afwijzing van het namens
appellant gedane verzoek om terug te komen van een jegens hem genomen
besluit van 14 juli 1999, waarbij zijn bezwaar tegen de intrekking van
zijn uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) per 1 juli 1998 ongegrond is verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in
stand gelaten, nu appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden had aangevoerd, zodat gedaagde bevoegd was het verzoek
tot herziening af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere
beslissing van 14 juli 1999. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat
zij, nu gedaagde in het bestreden besluit een inhoudelijke beoordeling
van hetgeen door appellant had aangevoerd achterwege had gelaten, niet
toekomt aan een beoordeling of met betrekking tot het besluit van 14
juli 1999 is gebleken was van feiten en omstandigheden die de evidente
onjuistheid van die beslissing aantonen.
In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat het bestreden besluit
in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb is genomen, nu in
het geval geen nieuwe feiten en omstandigheden bij het
herzieningsverzoek worden aangevoerd gedaagde niet zonder een zorgvuldig
onderzoek naar de evidente onjuistheid van het oorspronkelijke besluit
het herzieningsverzoek kan afwijzen.
De Raad overweegt met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak betreffende
verzoeken om terug te komen van een ambtshalve genomen besluit (vide
onder meer zijn uitspraak van 12 december 2003, gepubliceerd in USZ
04/54, JB 04/33 en RSV 04/89) dat overeenkomstig hetgeen voor herhaalde
aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, van degene die een
bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug
te komen, mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten
of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen
kunnen rechtvaardigen. Indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder
nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd, kan bij het licht
hiervan geen doel treffen. Appellant betwist niet dat geen nieuwe feiten
of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd en of een besluit evident
onjuist is, wordt door de Raad, anders dan voorheen, niet beoordeeld.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van
artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de
motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het
besluit van 14 juli 1999. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden
gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik
heeft kunnen maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een
geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen
rechtsbeginsel.
Mede ter voorlichting van appellant overweegt de Raad nog dat met het
hiervoor overwogene niet is gezegd dat een met overeenkomstige
toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb genomen besluit om
terug te komen van een eerder genomen besluit niet zorgvuldig moet
worden voorbereid en genomen. Die zorgvuldigheid is in een geval als dit
evenwel beperkt tot het antwoord op de vraag of bij het verzoek feiten
of omstandigheden zijn vermeld die zijn aan te merken als nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6
van de Awb.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen
en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E Meijer.
|
|