|
Uitspraak
03/2357 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 april
2003, reg.nr. 02/514 AAW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 10 februari 2005 heeft mr. A.P.P.D. Rouwet, advocaat te
Lichtenvoorde, zich als gemachtigde van gedaagde gesteld.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 15 februari 2005, waar partijen - appellant met kennisgeving -
niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De gang van zaken voorafgaand aan het nemen van het in dit geding
primaire besluit van appellant van 31 januari 2001 is in de aangevallen
uitspraak, waarin appellant als verweerder en gedaagde als eiser zijn
aangeduid, met juistheid als volgt weergegeven: Eiser is sinds 1987
werkzaam als zelfstandig stukadoor. Daarnaast ontvangt hij sinds 29
november 1996 een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), laatstelijk berekend naar een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%. Bij brief d.d. 17 april
1998, herhaald op 7 juli 1998 heeft verweerder bij eiser diens
jaarstukken over 1997 opgevraagd. Omdat toezending door eiser uitbleef,
heeft verweerder bij besluit d.d. 16 september 1999 (de toekenning van)
eisers uitkering per 1 januari 1997, ingetrokken. Tegen genoemd besluit
heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.
Op 5 juni 2000 leverde eiser alsnog de jaarstukken over 1997 (en 1998 en
1999) bij verweerder in.
Bij evengenoemd primair besluit heeft appellant naar aanleiding van
genoemde inlevering van de jaarstukken over 1997 voormelde intrekking
van de AAW-uitkering van gedaagde, welke had plaatsgevonden met
toepassing van artikel 26a van de AAW, met ingang van 5 juni 2000
ongedaan gemaakt en heeft hij voorts meegedeeld dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van gedaagde met ingang van die datum onveranderd
dient te worden vastgesteld op 55 tot 65%.
De gemachtigde van gedaagde heeft ter motivering van het tegen het
primaire besluit gemaakte bezwaar bij brief van 30 mei 2001 aangegeven
dat de jaarstukken over 1997 en 1998 te laat zijn ingediend, dat de
jaarstukken over 1999 tijdig zijn ingediend en dat de AAW-uitkering in
ieder geval herzien dan wel hervat dient te worden met ingang van 1999.
Appellant heeft bij besluit van 23 mei 2002 het primaire besluit
gehandhaafd onder overweging dat in het geval dat na de hier toegepaste
intrekking de gevraagde gegevens alsnog worden ingediend, de uitkering
niet wordt heropend maar dat het intrekkingsbesluit wordt herzien met
ingang van de dag van verstrekking van die gegevens en dat het feit dat
de jaarstukken over 1999 wel op tijd zijn ingeleverd hier niets aan
afdoet.
In beroep heeft de gemachtigde van gedaagde het in de bezwaarprocedure
verwoorde standpunt herhaald, waarna appellant ter verweer erop heeft
gewezen dat de reden van de intrekking van de uitkering de niet tijdige
ontvangst van de jaarstukken over 1997 was, dat de reden van de
herziening van die intrekking was het feit dat die jaarstukken alsnog op
5 juni 2000 zijn ontvangen en dat de tijdige inlevering van de
jaarstukken over 1999 niet van invloed is op de onderhavige
besluitvorming. Desgevraagd door de rechtbank heeft appellant voorts bij
brief van 11 december 2002 aangegeven de indiening van de jaarstukken
over 1997 niet te hebben aangemerkt als een nieuwe aanvraag. Hiervoor
heeft appellant gewezen op punt 3 van de Bijlage van zijn op 11 mei 2000
in werking getreden Regeling schorsing, opschorting, herziening en
intrekking uitkeringen (Besluit van 18 april 2000 (Stcrt. 2000,89),
houdende beleidsregels voor de toepassing van onder andere artikel 18
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ),
hierna: de Regeling), waarin onder meer is vermeld dat indien
belanghebbende alsnog voldoet aan zijn verplichtingen en om toekenning
(hervatting) van uitkering vraagt, dit niet wordt gezien als een
aanvraag om uitkering of ziekmelding en dat de uitkering wordt hervat
met ingang van de dag waarop belanghebbende alsnog aan zijn
verplichtingen voldoet. Ter zitting van de rechtbank van 5 maart 2003
heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat blijkens de
duidelijke tekst van artikel 26a van de AAW herziening van een
ingetrokken uitkering niet mogelijk is en dat de Regeling inderdaad een
buitenwettelijke beleidsregel is.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met betrekking tot het te
harer zitting namens appellant verwoorde standpunt als volgt overwogen.
De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. De Lisv-regeling is
een beleidsregel. Een bestuursorgaan kan op grond van artikel 4:81 Awb
een beleidsregel vast stellen met betrekking tot een hem toekomende of
onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende dan wel door hem
gedelegeerde bevoegdheid. In andere gevallen kan een bestuursorgaan
slechts beleidsregels vaststellen, voor zover dit bij wettelijk
voorschrift is bepaald. Het in deze zaak door verweerder gehanteerde en
in de Lisv-regeling neergelegde beleid is gebaseerd op (onder meer)
artikel 26a AAW, zo valt op te maken uit de aanhef van genoemde
regeling. Naar het oordeel van deze rechtbank kan artikel 26a AAW echter
niet de grondslag bieden voor het in deze zaak gehanteerde beleid.
Artikel 26a AAW ziet immers, zoals hierboven uiteen werd gezet, op het
intrekken of herzien van het toekenningsbesluit. In een geval als het
onderhavige staat de eerder gedane toekenning noch intrekking echter ter
discussie. Uit zowel de stukken als het verhandelde ter zitting is
duidelijk geworden dat het eiser door het alsnog overleggen van
jaarstukken in feite ging om een hernieuwde aanvraag van de uitkering.
Hoewel de Lisv-regeling over het alsnog voldoen aan de verplichtingen
door belanghebbende beoogt te regelen dat dit niet wordt gezien als een
aanvraag, kan dit beleid, naar het oordeel van de rechtbank, zijn
grondslag niet vinden in artikel 26a AAW. Genoemd artikel ziet immers
niet op de aanvraag van de uitkering. De rechtbank ziet daarom
aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met het
motiveringsbeginsel.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat bij gebreke van een
heropeningsbevoegdheid in artikel 26a van de AAW de uitkering slechts
kan worden heropend door terug te komen van het intrekkingsbesluit op de
wijze zoals door appellant beleidsmatig is ingevuld in de Regeling. Naar
de mening van appellant ziet, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld,
artikel 26a van de AAW en de Regeling heeft geoordeeld, niet alleen op
intrekking of herziening van een toekenningsbesluit. Voor dit standpunt
heeft appellant gewezen op het gebruik van het woord nog in
artikel 26a, eerste lid, onder d, van de AAW en op de uitspraak van de
Raad van 6 juni 2001 (RSV 2001,211). Ten slotte heeft appellant gesteld
de conclusie van de rechtbank, dat de inzending van de jaarstukken moet
worden gezien als een hernieuwde aanvraag, om reden van de motivering
van het bezwaar van gedaagde niet te delen en dat los, van de vraag wat
gedaagde met die inzending heeft beoogd, doorslaggevend zijn de
mogelijkheden van de wet en het beleid.
De Raad overweegt dat, zoals appellant heeft betoogd, artikel 26a van de
AAW, welk artikel overeenkomt met artikel 18 van de WAZ, naar zijn
bewoordingen niet voorziet in de mogelijkheid om een eenmaal met
toepassing van dat artikel ingetrokken uitkering te doen herleven of
hervatten. Met appellant is de Raad dan ook van oordeel dat de bestreden
besluitvorming, voorzover deze verband houdt met de inlevering van de
jaarstukken over 1997 door gedaagde en welke inhoudt een ongedaanmaking
van de intrekking vanaf de datum van inlevering van die jaarstukken
gepaard gaande met een vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid op die dag, is gebaseerd op ter zake door
appellant in de Regeling vastgelegd buitenwettelijk - begunstigend - beleid. Een dergelijk beleid dient, zoals de Raad al eerder -
bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 augustus 2004 (AB 2005,36) - heeft
geoordeeld, door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit
houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een
gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of zodanig
beleid op consistente en niet onredelijke wijze is toegepast. Ook met
inachtneming van een toepassingsbereik van artikel 26a, eerste lid,
aanhef en onder d, van de AAW dat, gelet op de door appellant genoemde
uitspraak van de Raad van 6 juni 2001 verder strekt dan de rechtbank
heeft aangenomen, komt de Raad niet tot de slotsom dat de bij het
bestreden besluit gehandhaafde toepassing van het onderhavige beleid op
de inlevering van de jaarstukken over 1997 in het geval van appellant
niet de hiervoor aangegeven rechterlijke toetsing kan doorstaan. Zulks
heeft de gemachtigde van gedaagde, die zijn vordering, naar de letter
genomen, niet strikt heeft beperkt tot de gevolgen van de inlevering van
de jaarstukken over 1999, in beroep trouwens ook niet betoogd.
Voor zover de vordering van gedaagde ziet op de tijdige inlevering van
de jaarstukken over 1999, moet de Raad vaststellen dat deze inlevering
geen verband houdt met een verzuim van gedaagde dat tot toepassing van
artikel 26a van de AAW (dan wel artikel 18 van de WAZ) aanleiding zou
kunnen geven en dat derhalve de Regeling daarop niet van toepassing is.
Ter zake van deze inlevering sluit ook de Raad niet op voorhand uit dat
gedaagde, mede in aanmerking genomen de in het verleden gegeven
toepassing van artikel 26a van de AAW, daarmee heeft beoogd een nieuwe
aanvraag voor een WAZ-uitkering te doen. Appellant had naar het oordeel
van de Raad dan ook in elk geval aan gedaagde naar zijn bedoeling met de
inlevering van de jaarstukken over 1999 moeten vragen en, zo zulks had
uitgewezen dat inderdaad daarmee beoogd was een nieuwe aanvraag te doen,
na het zonodig laten aanvullen van die aanvraag moeten onderzoeken of en
zo ja, met ingang van welke datum die aanvraag, gelet op artikel 35 van
de WAZ, voor inwilliging in aanmerking zou hebben kunnen komen.
De Raad is, gelet op het vorenstaande van oordeel, dat het bestreden
besluit onzorgvuldig is voorbereid en, zij het op gedeeltelijk andere
gronden dan de rechtbank heeft gegeven, ondeugdelijk is gemotiveerd.
Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit dient te worden
vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In verband hiermee dient de
aangevallen uitspraak te worden bevestigd met dien verstande dat
appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming
van deze uitspraak van de Raad.
De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep, aangezien van het maken van dergelijke
kosten, beoordeeld aan de hand van het Besluit proceskosten
bestuursrecht, niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de
Raad;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van 414,= wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|