|
Uitspraak
03/2362 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 2 mei 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellante
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), bedoeld
is echter de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ),
met ingang van 31 augustus 1999 ongewijzigd vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 februari 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 4 april 2003, nummer Awb
02/294, het beroep tegen het besluit van 28 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. E.J. Bonnist, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand
te Amsterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 22 februari 2005, waar partijen - zoals tevoren was bericht -
niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan appellante is met ingang van 31 augustus 1994 een uitkering
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Deze
AAW-uitkering is met ingang van 1 januari 1998 omgezet in een
WAZ-uitkering.
Per 31 augustus 1999 heeft een zogenoemde vijfdejaarsherbeoordeling
plaatsgevonden, waarbij de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat er
geen wijziging is gekomen in de medische situatie van appellante en dat
nog dezelfde beperkingen gelden zoals die in het kader van een
voorgaande beoordeling, betrekking hebbend op de datum 5 september 1996,
waren vastgelegd in een FIS-formulier van 24 oktober 1997.
Er heeft geen arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden.
Namens appellante is aangevoerd dat zij zwaardere psychische beperkingen
heeft dan door gedaagde is aangenomen en dat haar mate van
arbeidsongeschiktheid op een te laag percentage is vastgesteld. Dit zou
volgens appellante blijken uit een rapport van de psychiater M. Kazemier
van 11 april 2001 dat als medische contra-expertise is uitgebracht in
een voorgaande procedure inzake de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellante op 5 september 1996.
De rechtbank heeft overwogen dat uit het rapport van de psychiater
Kazemier niet blijkt dat de beperkingen van appellante zijn onderschat.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. De juistheid van de
ten aanzien van de datum 5 september 1996 aangegeven beperkingen is door ’s Raads uitspraak van
17 december 2002, nummer 00/4991 AAW, waarbij hij doorslaggevende
betekenis heeft toegekend aan het rapport van 25 juli 2002 van de door
hem ingeschakelde deskundige dr. A.P.K. van Eekeren, rechtens bevestigd.
Naar het oordeel van de Raad zijn er geen aanwijzingen dat de
beperkingen van appellante op 31 augustus 1999 ten opzichte van de
voorgaande beoordeling per 5 september 1996 zijn toegenomen.
Dit betekent echter niet dat gedaagde had mogen afzien van het
verrichten van een arbeidskundig onderzoek. Een beoordeling van de mate
van arbeidsongeschiktheid dient in beginsel te berusten op zowel een
medisch als een arbeidskundig onderzoek.
Gedaagde heeft niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de
voorgaande schatting, waaraan voor appellante parttime functies ten
grondslag zijn gelegd die voor haar geschikt werden geacht. Het staat
immers zonder nader onderzoek niet vast dat de functies die aan de
schatting per 5 september 1996 ten grondslag zijn gelegd op de datum 31
augustus 1999 ook nog in dezelfde vorm en met dezelfde kenmerken in het
Functie Informatie Systeem waren opgenomen en dat vergelijking van het
mediane loon van de drie hoogst verlonende functies op 31 augustus 1999
met het voor appellante op die datum geldende maatmaninkomen tot een
zelfde arbeidsongeschiktheidsklasse zou leiden.
De jurisprudentie van de Raad zoals die onder andere is neergelegd in
zijn uitspraak van 25 april 2001, LJN AL1255, gepubliceerd in RSV
2001, 149, waarin de Raad heeft overwogen dat niet wordt toegekomen aan
een beoordeling van de arbeidskundige aspecten indien er van een toename
van de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds
toegekende uitkering geen sprake is, is hier niet van toepassing.
Die jurisprudentie ziet uitsluitend op de bijzondere situatie dat de
beoordeling of de medische beperkingen zijn toegenomen heeft
plaatsgevonden in het kader van de vraag of de uitkering na een verkorte
wachttijd van vier weken moet worden verhoogd op grond van artikel 39a
van de WAO of daarmee vergelijkbare artikelen en uit de andere
arbeidsongeschiktheidswetten heeft geen betrekking op een reguliere
schatting zoals die hier aan de orde is.
De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet
in stand blijven. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen
met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in
eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger
beroep, in totaal € 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van € 114,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|