|
Uitspraak
03/2824 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 28 april 2003 tussen partijen
gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer: AWB 02/926 WAZ.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 februari 2005 heeft de gemachtigde van appellant nadere
informatie verstrekt en het standpunt van appellant nogmaals toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 februari 2005,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter,
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. S.J.M.A. Clerx,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is wegens pijn- en vermoeidheidsklachten op 19 november 1998
uitgevallen voor zijn werkzaamheden als zelfstandig binnenschipper. Bij
het bestreden besluit van 24 augustus 2000 heeft gedaagde in bezwaar gehandhaafd zijn primaire
besluit van 10 maart 2000, waarbij gedaagde appellant in aansluiting op de
wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 18 november 1999, in
aanmerking heeft gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.
De rechtbank heeft, in de eerste plaats, overwogen geen aanleiding te
hebben gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant door
gedaagde onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft hierbij onder meer
in aanmerking genomen dat gedaagdes verzekeringsarts informatie heeft
opgevraagd bij de behandelend neuroloog en huisarts van appellant, welke
informatie door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts is
betrokken bij hun advies. Uit bedoelde informatie blijkt, aldus de
rechtbank, niet dat appellant in het geheel niet in staat zou zijn tot
het verrichten van gangbare arbeid.
Voorts heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat appellant geen
medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de medische
grondslag of de vaststelling van de beperkingen door gedaagde onjuist
zou zijn.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
heeft de rechtbank geconstateerd dat bij één van de drie bij de
schatting in aanmerking genomen functies, te weten die van kamerjongen,
een asterisk is geplaatst bij een onderdeel van de functiebelasting, ten
teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van
appellant op het betreffende onderdeel. De rechtbank heeft de vanwege
gedaagde verstrekte motivering waarom desondanks die functie voor
appellant geschikt kan worden geacht als toereikend en draagkrachtig
aangemerkt.
Voorts heeft de rechtbank verworpen het betoog van appellant dat de
functie van stikster meubelkleding niet kan worden geduid vanwege een te
late actualiseringsdatum.
In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat wel een voldoende
actuele verzie van die functie is gevonden, maar dat deze vanwege een
lager uurloon niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd.
Indien echter de ook aan appellant voorgehouden functie van verspener
bij de schatting wordt betrokken, heeft dit, aldus de rechtbank, geen
gevolgen voor het arbeidsongeschiktheidspercentage alsmede de grief dat
de voorgehouden functies te weinig realiteitswaarde hebben gelet op de
omvang en aantal arbeidsplaatsen daarvan. Met betrekking tot deze
laatste grief heeft de rechtbank gemotiveerd overwogen dat de
onderhavige schatting voldoet aan de vereisten die volgens vaste
rechtspraak van de Raad gelden voor schattingen van zogeheten
niet-medische parttimers, zoals appellant.
De rechtbank heeft zich, ten slotte, ook kunnen verenigen met de
vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad kan zich volledig vinden in de hiervoor weergegeven overwegingen
en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank, en maakt die
overwegingen en dat oordeel tot de zijne. Hetgeen van de zijde van
appellant in hoger beroep is aangevoerd is uitsluitend een herhaling van
de reeds eerder aangevoerde medische en arbeidskundige bezwaren, welke
de Raad geen aanknopingspunten geven voor enige andere of aanvullende
overweging en/of oordeelsvorming. De Raad merkt nog slechts op dat
appellant zijn medische bezwaren ook in hoger beroep niet met concrete
medische gegevens heeft onderbouwd.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de hiervoor geformuleerde
rechtsvraag bevestigend moet worden beantwoord alsmede dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|