|
Uitspraak
03/3359 WAZ en 04/2751 WAZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 12 april 2001 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde
ongegrond verklaard het door appellant gemaakte bezwaar tegen het
besluit van gedaagde van 15 september 2000, houdende weigering aan
appellant van een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) omdat appellant,
na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 24 mei 1997
minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank s-Hertogenbosch heeft het namens appellant ingestelde
beroep tegen besluit 1 bij uitspraak van 4 juni 2003, AWB 01/1236 WAZ
(hierna: uitspraak 1), ongegrond verklaard.
Tegen uitspraak 1 heeft mr. M.J.B.R. Hermans, advocaat te Eindhoven, op
bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
Bij besluit van 13 november 2002 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde
ongegrond verklaard het namens appellant gemaakte bezwaar tegen het
besluit van gedaagde van 14 maart 2002, houdende weigering aan appellant
van andermaal een uitkering ingevolge de WAZ omdat appellant, na afloop
van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 30 september 2000 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank heeft het door de gemachtigde van appellant ingestelde
beroep tegen besluit 2 bij uitspraak van 29 april 2004, AWB 02/3646 WAZ
(hierna: uitspraak 2), ongegrond verklaard.
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden,
met bijlage, tegen uitspraak 2 hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft onder overlegging van een bijlage van verweer gediend.
De gemachtigde van appellant heeft in beide gedingen bij brief van 26
januari 2005 het rapport van de orthopedisch chirurg H.J. Hoekstra van
25 februari 2004 ingezonden. Hierop heeft gedaagde gereageerd door
middel van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.A.M. Samuels van
8 februari 2005.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 22
februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens
daagde is verschenen P.M.W. van der Helm, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad zal hierna eerst zijn oordeel geven over het hoger beroep tegen
uitspraak 1 en daarna het hoger beroep tegen uitspraak 2 beoordelen.
Inzake uitspraak 1 oordeelt de Raad als volgt.
Appellant was werkzaam als zelfstandig meubelmaker toen hij op 26 mei
1996 uitviel vanwege een bij een auto-ongeval opgelopen whiplash. In het
kader van de beoordeling van zijn aanspraak op uitkering ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) na afloop van de wettelijke
wachttijd is appellant op 12 september 1997 onderzocht door de
verzekeringsarts M. van Heugten. Blijkens diens rapport van dezelfde
datum gaf appellant bij de anamnese aan dat de bewegingen van de nek
beperkt zijn, dat de pijn in de nek uitstaalt naar beide schouders en
armen ter hoogte van de ellebogen en dat er geen cognitieve
functiestoornissen of evenwichtsproblemen zijn. Na verkregen informatie
van de behandelend neuroloog in de vorm van een brief van 30 september
1996 aan de huisarts, waarin deze neuroloog aangaf dat bij uitvoerig
neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn aangetoond, heeft de
verzekeringsarts R. Hoving-Lammes appellant op 4 november 1997 onderzocht. Hoving-Lammes
stelde onder andere aan armen en handen geen afwijkingen vast en bevond
normale knijpkracht in de handen en normale vingerfincties. Voorts nam
zij de door haar bij appellant, die blijkens haar rapport zijn eigen
werk deed, zij het in mindere mate en wat betreft de minder zware
werkzaamheden, ten aanzien van de nek en schouderfunctie vastgestelde
beperkingen op in het in haar rapport van 4 november 1997 opgenomen
belastbaarheidspatroon. Op basis hiervan en aan de hand van de
arbeidsmogelijkhedenlijst van 8 januari 1998 heeft de arbeidsdeskundige
G.J.J. Wildemans blijkens zijn rapport van 11 februari 1998 vastgesteld
dat er op basis van de mediaan van de drie hoogst verlonende functies
geen sprake was van verlies aan verdiencapaciteit. Daarbij heeft
Wildemans het maatmaninkomen, uitgaande van de fiscale winst over de
jaren 1993, 1994 en 1995, zijnde de drie boekjaren voorafgaande aan het
jaar van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, vastgesteld op het niveau
van het wettelijk minimumloon. Vervolgens nam gedaagde het primaire
besluit van 15 september 2000.
In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz in zijn
rapport van 3 april 2001 het verzekeringsgeneeskundig onderzoek,
voorafgaand aan het nemen van het evengenoemde primaire besluit
geaccordeerd, waarna gedaagde bij besluit 1 dit primaire besluit
handhaafde.
In beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn medische bezwaren
tegen besluit 1 informatie van zijn huisarts van 13 februari en 11 maart
2002 omtrent diens bevindingen ten aanzien van de beperkingen van
appellant inzake de nek, de schouders en de knijpkracht in de
rechterhand overgelegd. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van
besluit 1 heeft appellant aangevoerd dat de voor de vaststelling van het
maatmaninkomen in aanmerking genomen referteperiode niet representatief
is omdat vanwege een veel kosten meebrengende verbouwing van het
bedrijfspand de winstcijfers over de jaren 1994 en 1995 extreem laag
waren in vergelijking met de winstcijfers over 1991, 1992 en 1993. Om
die reden bepleit appellant voor de vaststelling van het maatmaninkomen
uit te gaan van de winstcijfers over de drie laatstgenoemde jaren.
De rechtbank heeft de neuroloog J.J.M. Hagemans benoemd als deskundige
voor het instellen van een onderzoek. Hagemans heeft appellant op 17
april 2002 onderzocht en in zijn rapport van 16 juli 2002 aangegeven dat
het op grond van de anamnese zeer wel mogelijk is dat bij appellant
sprake was van een whiplashtrauma, dat uitvoerig somatisch en technisch
neurologisch onderzoek geen afwijkingen heeft opgeleverd en dat in het
verloop der tijd toegenomen klachten en pseudo-verschijnselen zijn gaan
optreden. Hagemans kon zich verenigen met de door Hoving-Lammes
vastgelegde beperkingen en achtte appellant in staat de hem geduide
functies te verrichten.
Vervolgens heeft appellant nog een rapport overgelegd van de neuroloog
H.B.M. van Lieshout van 10 april 2003, die tot geen wezenlijk andere
bevindingen kwam dan Hagemans en het belastbaarheidspatroon en de
geschiktheid van appellant voor de geduide functies onderschreef.. Wel
wees Van Lieshout nog op de mogelijkheid van een aanpassingsstoornis of
zelfs aggravatie.
De rechtbank is in uitspraak 1 op grond van de beschikbare medische
gegevens tot het oordeel gekomen dat ten aanzien van gedaagde de juiste
beperkingen tot het verrichten van arbeid in aanmerking zijn genomen.
Daarbij heeft de rechtbank met name gewezen op het rapport van de
deskundige Hagemans. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige
grondslag van besluit 1 - met inbegrip van het in aanmerking nemen
voor de vaststelling van het maatmaninkomen van de winstcijfers over de
jaren 1993, 1994 en 1995 - onderschreven en geoordeeld dat dit niet
anders wordt door het feit dat als gevolg van een verbouwing de winst in
1994 en 1995 niet volledig werd gerealiseerd.
In hoger beroep heeft appellant heeft appellant zijn standpunt ten
aanzien van de medische grondslag van besluit 1 met name doen steunen op
de in eerste aanleg overgelegde rapporten van zijn huisarts en heeft hij
zijn in eerste aanleg voorgedragen standpunt ten aanzien van de
arbeidskundige grondslag van besluit 1 herhaald.
Gedaagde heeft wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1
gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad ten aanzien van de
bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige, welke inhoudt dat
wordt uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de
laatst drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid en
zoals deze is neergelegd in onder andere de uitspraak van de Raad van de
Raad van 20 februari 2001 (USZ 2001,101).
Wat betreft de medische grondslag van besluit 1 en de geschiktheid van
appellant voor de geduide functies onderschrijft de Raad het oordeel van
de rechtbank. In dit verband wijst hij erop dat in vaste rechtspraak van
de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke
door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te
volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen
voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet
gebleken. Tot zodanige feiten of omstandigheden rekent de Raad in elk
geval niet de van de zijde van appellant in eerste aanleg overgelegde
informatie van de huisarts, reeds omdat deze arts in zijn brief van 11
maart 2002 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij zijn opinie van dat
moment geeft en dat hij dus niets kan zeggen over de datum in geding bij
besluit 1. Overigens kan er in dit verband uiteraard niet aan worden
voorbijgezien dat de conclusies van de deskundige Hagemans zijn
onderschreven door de eveneens door appellant geraadpleegde neuroloog
Van Lieshout. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 ligt
het oordeel van de rechtbank in lijn met de door gedaagde in zijn
verweerschrift vermelde vaste jurisprudentie van de Raad ter zake van de
bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige. In de
omstandigheid dat appellant in 1994 en 1995 de winst negatief beοnvloedende
kosten heeft gemaakt voor de verbouwing van een bedrijfspand ziet de
Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad stemt tenslotte in met het standpunt van gedaagdes gemachtigde
ter zitting dat de juridische grondslag van besluit 1 niet juist is in
die zin dat deze niet dient te worden gevonden in de WAZ maar in de AAW.
De datum in geding bij besluit 1 is immers 24 mei 1997, terwijl de
aanvraag van appellant op 15 juni 1997 is ingediend. Onder deze
omstandigheden is het bij de inwerkingtreding van onder andere de WAZ en
het vervallen van de AAW met ingang van 1 januari 1998 gegeven
overgangsrecht niet van toepassing en dient de aanspraak van appellant
te worden beoordeeld aan de hand van het geldende recht op het tijdstip
waarop de onder de gelding van de AAW ingediende aanvraag betrekking
heeft, te weten de overigens wat betreft die aanspraak toen geldende,
aan de WAZ inzake de beoordeling van die aanspraak vrijwel
gelijkluidende bepalingen van de AAW.
Nu de vermelding van de juiste juridische grondslag van besluit 1 geen
gevolgen heeft voor de inhoudelijke beoordeling van dat besluit en
besluit 1 blijkens het hiervoor overwogene wat betreft de medische en
arbeidskundige grondslag in rechte stand kan houden, ziet de Raad de
onjuiste vermelding van de juridische grondslag in dit geval niet meer
betekenis hebben dan enkel de schending van een vormvoorschrift. Nu naar
het oordeel van de Raad appellant daardoor niet in zijn belangen is
geschaad, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het aldus als een schending van een
vormvoorschrift te begrijpen verzuim van gedaagde bij besluit 1 te
passeren.
Uit al het vorenstaande volgt dat besluit 1 in rechte stand kan houden
en dat uitspraak 1 dient te worden bevestigd.
Ten aanzien van uitspraak 2 oordeelt de Raad als volgt.
Blijkens de stukken vindt besluit 2 haar arbeidskundige grondslag in de
arbeidsmogelijkhedenlijst van 5 februari 2002 en de mede op basis
daarvan door de arbeidsdeskundige M.J.B. Spaargaren in zijn rapport van
28 februari 2002 beschreven functieduiding en vaststelling van de
afwezigheid van enig verlies aan verdienvermogen. Gedeeltelijk anders
dan het primaire besluit van 14 maart 2002, dat uitging van 30 september
2000 als de datum in geding, liet gedaagde besluit 2 blijkens de
overwegingen tevens betrekking hebben op een niet nader omschreven datum
in 1999.
In uitspraak 2 is de rechtbank er op grond van de stukken, waaronder een
aantekening van de verzekeringsarts R. Thoeng van 21 december 2001 op
een intern memo van gedaagde van 26 oktober 2001, dat per oktober 1999
geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid, vanuit gegaan dat
de bij besluit 2 gehandhaafde weigering van de WAZ-uitkering betrekking
heeft op 1 oktober 1999. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde
van gedaagde in haar pleitnota, aangegeven dat gedaagde, door geen hoger
beroep in te stellen tegen uitspraak 2, zich heeft geconformeerd aan
deze datum als zijnde de datum waarop besluit 2 betrekking heeft en
heeft zij verzocht besluit 2 ook als zodanig te lezen. Voorts is in de
pleitnota vermeld dat de functies, welke ten grondslag zijn gelegd aan
besluit 2, alle een actualiseringsdatum van na 1 oktober 1999 hebben en
dat onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige heeft uitgewezen dat met
ingang van 1 oktober 1999 aan appellant slecht 2 fb-codes kunnen worden
voorgehouden. Desgevraagd voegde de gemachtigde van gedaagde daaraan nog
toe dat na overleg met de bezwaararbeidsdeskundige geen functies konen
worden bijgeduid. Aan een en ander verbond de gemachtigde van gedaagde
de conclusie dat besluit 2 op arbeidskundige gronden niet in stand kan
blijven.
Gelet op de door de gemachtigde van appellant ingediende rentevordering
heeft appellant, ondanks het vorenstaande belang behouden bij
beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 2 in hoger beroep.
De Raad onderschrijft dit nadere standpunt van gedaagde inzake besluit
2. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het ten tijde van de datum
bij besluit 2 uiteindelijk in geding geldende Schattingsbesluit WAO, WAZ
en Wajong dient de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde
arbeid immers nader te worden omschreven in de vorm van ten minste drie
verschillende in Nederland uitgeoefende functies. Besluit 2 voldoet,
gelet op het gestelde in evenbedoelde pleitnota, niet aan dit vereiste.
Geen andere conclusie is dan ook mogelijk dan dat besluit 2 en uitspraak
2 dienen te worden vernietigd en dat gedaagde met inachtneming van de
uitspraak van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellant
tegen het primaire besluit van 14 maart 2002 dient te nemen, dat inhoudt
dat aan appellant met ingang van 1 oktober 1999 een volledige
WAZ-uitkering dient te worden toegekend.
Met betrekking tot het door appellant gedane verzoek om toepassing van
artikel 8:73 van de Awb in de vorm van veroordeling van gedaagde tot
betaling aan appellant van de wettelijke rente over de niet of te laat
betaalde WAZ-uitkering overweegt de Raad dat dit verzoek volgens zijn
vaste rechtspraak dient te worden toegewezen. Wat betreft de wijze
waarop gedaagde de aan appellant toekomende wettelijke rente over de na
te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn
uitspraak van 1 november 1995 (JB 1995,314).
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant met betrekking
tot besluit 2 in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op
322,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede op 12,86 aan reiskosten in eerste aanleg en op 24,56 aan reiskosten
in hoger beroep, in totaal 1.003,42.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt uitspraak 1;
Vernietigt uitspraak 2;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellant
tegen het primaire besluit van 14 maart 2002 neemt met inachtneming van
de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade aan appellant als
hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.003,42 te betalen door het
uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van 131,= vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|