|
Uitspraak
03/5730 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Utrecht onder dagtekening
16 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. SBR
02/2112), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, bij schrijven
van 3 februari 2004 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 april
2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.M. de
Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr. Brink, voornoemd, als haar raadsvrouw.
Tevens was de echtgenoot van gedaagde aanwezig.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren 2 mei 1961, was laatstelijk werkzaam als zelfstandige.
In verband met de zwangerschap van een tweeling heeft gedaagde op 23
oktober 2000 appellant verzocht haar in aanmerking te brengen voor een
bevallingsuitkering op grond van artikel 22 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Op 13 november 2000 is de tweeling na een zwangerschap van 23 weken en drie
dagen levenloos ter wereld gekomen. Bij het thans bestreden besluit van
12 september 2002 heeft appellant het bij besluit van 3 december 2001
ingenomen standpunt gehandhaafd dat gedaagde geen bevallingsuitkering
toekomt, omdat bij zwangerschap van minder dan 24 weken niet kan worden
gesproken van een bevalling. Daarbij heeft appellant voor de uitleg van
het begrip bevalling in artikel 22 van de WAZ aansluiting gezocht bij de
Lisv-standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van
ongeschiktheid voor haar arbeid” (bijlage 1 bij Lisv-mededeling
M.99.47, van 29 april 1999) die is opgesteld ten behoeve van de
uitvoering van de Ziektewet door appellant, maar bij de uitvoering van
de WAZ overeenkomstig wordt toegepast.
In deze standaard is met betrekking tot het begrip bevalling het
volgende opgenomen:
“Voor de Ziektewet spreken we daarom van een bevalling als een
menselijke vrucht ter wereld komt na een zwangerschapsduur van 24
complete weken, ongeacht of de vrucht wel of geen tekenen van leven
heeft vertoond. Voor deze concrete termijn is gekozen omdat, als een
vrucht na een zwangerschapsduur korter dan 24 weken ter wereld komt,
levensvatbaarheid uitgesloten is (...). Komt een menselijke vrucht ter
wereld (dood dan wel levend) na een zwangerschapsduur van 24 complete
weken, dan bestaat er recht op uitkering in verband met de bevalling.
Duurde de zwangerschap echter minder dan 24 complete weken, dan bestaat
geen recht op uitkering in verband met de bevalling. Ook niet wanneer
sprake is geweest van enige hartwerking, ademhaling of spiercontracties.
Levensvatbaarheid op zichzelf genomen vervalt als argument. Er kunnen
immers ook laat in de zwangerschap niet levensvatbare vruchten ter
wereld komen.”
Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank aan de memorie van
toelichting bij het ontwerp van de WAZ ontleend dat de wetgever met de
bevallingsuitkering van artikel 22 van de WAZ niet alleen de gezondheid
van het kind heeft willen dienen door de moeder in de gelegenheid te
stellen de pasgeborene te verzorgen doch ook de gezondheid van de vrouw
heeft willen dienen door haar in staat te stellen na de bevalling te
herstellen. In dit licht bezien is naar het oordeel van de rechtbank
door appellant aan de term bevalling een onjuiste, te eenzijdige, uitleg
gegeven omdat de uitleg van appellant slechts ziet op het belang van
verzorging van de pasgeborene. De rechtbank ziet in het licht van
laatstgenoemde doelstelling van de bevallingsuitkering, de bescherming
van de vrouw na de geboorte, geen aanleiding om aan het begrip bevalling
als bedoeld in artikel 22 van de WAZ een beperktere uitleg te geven dan
aan het begrip bevalling zoals dit in de medische sector wordt
gehanteerd, te weten dat bij de uitstoting van een vrucht na de 16e,
maar voor het einde van de 28e week sprake is van een onrijpe geboorte
of vroegtijdige bevalling.
In het geval van gedaagde heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake was
van een bevalling in de zin van artikel 22 van de WAZ, daarbij meewegend
dat de gynaecoloog dr. R.E. Bernardus heeft verklaard dat gedaagde op 13
november 2000 is bevallen.
In hoger beroep heeft appellant erop gewezen dat de standaard is bedoeld
om een objectieve norm aan te geven waarmee in de uitvoeringspraktijk
kan worden gewerkt. Bij het stellen van deze norm is de grens gelegd bij
een zwangerschap van 24 complete weken. Daarbij is erop gewezen dat dit
criterium tot stand is gekomen in overleg en samenspraak met deskundigen
op dit terrein. Het feit dat academische ziekenhuizen er in sommige
gevallen in slagen om kinderen die na een zwangerschapsduur van minder
dan 24 weken worden geboren in leven te houden, is geen reden om de in
de Lisv-standaard neergelegde grens van 24 weken te verlaten. In de
Lisv-standaard wordt aangeknoopt bij hetgeen in de reguliere zorg
mogelijk is. Ten slotte heeft appellant erop gewezen dat de
Lisv-standaard geen uitzonderingen kent, maar dat in de
uitvoeringspraktijk de mogelijkheid wordt opengelaten om in
uitzonderlijke gevallen van de standaard af te wijken, dit ter
beoordeling van de verzekeringsarts. In het onderhavige geval heeft de
bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal bij rapport van 3 februari 2003
gemotiveerd aangegeven dat geen sprake is van een zo uitzonderlijke
situatie dat een afwijking van de regel gerechtvaardigd zou zijn.
Gedaagde heeft bij verweerschrift in hoger beroep zich geschaard achter
het oordeel van de rechtbank en aangevoerd dat de bevallingsuitkering
mede bedoeld is ter bescherming van de gezondheid van de vrouw in de
laatste weken van de zwangerschap en om de vrouw de gelegenheid te geven
te herstellen van de fysieke gevolgen van de bevalling.
Ten aanzien van de hier voorliggende rechtsvraag overweegt de Raad als
volgt.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp van de WAZ (Kamerstukken
II 1995/96, 24758, nr. 3, pagina 36) is met betrekking tot het voorstel
om een uitkeringsregeling in verband met bevalling op te nemen ten
behoeve van vrouwelijke verzekerden onder meer het volgende opgenomen:
“Voor werkneemsters is het zwangerschaps- en bevallingsverlof een
maatregel met een tweeledig doel. Enerzijds dient het verlof ter
bescherming van de gezondheid van de vrouw en het kind. Anderzijds wordt
met het verlof beoogd te voorkomen dat vrouwen uit het arbeidsproces
treden. Bescherming van de gezondheid van moeder en kind en stimulering
van het actief blijven van vrouwen op de arbeidsmarkt na de geboorte van
kinderen gelden hier dus als argumenten. Dezelfde argumenten gaan (...)
op voor zelfstandige en meewerkende vrouwen (...). Met een
uitkeringsregeling in verband met bevalling kan worden voorkomen dat
betreffende vrouwen lang doorwerken en snel weer beginnen, hetgeen
schadelijk kan zijn voor zowel de gezondheid van de vrouw als het
kind.”
Op pagina 37 van de memorie van toelichting is vermeld:
“Het voorstel voor een bevallingsuitkering voorziet in een algemene
regeling voor alle vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en
beroepsbeoefenaren. Doel van de bevallingsuitkering is om te bevorderen
dat de gezondheid van moeder en kind niet wordt geschaad.”
In de op de regeling betrekking hebbende wetgevingsstukken heeft de Raad
geen aanwijzingen gevonden dat de wetgever vorenomschreven doelstelling
heeft verlaten.
De Raad gaat er gelet hierop met de rechtbank vanuit dat de wetgever met
de bevallingsuitkering van artikel 22 van de WAZ niet alleen de
gezondheid van het kind heeft willen dienen door de moeder in de
gelegenheid te stellen de pasgeborene te verzorgen doch ook de
gezondheid van de vrouw heeft willen dienen, mede met het oog op herstel
na de bevalling. Anders dan de rechtbank trekt de Raad hieruit niet de
conclusie dat gedaagde in haar geval dan ook aanspraak heeft op een
bevallingsuitkering.
Het in de memorie van toelichting omschreven oogmerk van de regeling is
te voorkomen dat de betreffende vrouwen te lang doorwerken tijdens de
zwangerschap en na de geboorte te snel hun werkzaamheden hervatten. Het
gaat hier derhalve om een regeling waarmee wordt beoogd de gezondheid
van de vrouw en die van het kind gelijkelijk te beschermen.
Tegen die achtergrond is het uitgangspunt van de Lisv-standaard dat in
beginsel alleen bij bevallingen na 24 complete weken zwangerschap recht
bestaat op een bevallingsuitkering, niet aan te merken als een niet in
overeenstemming met de bedoeling van de wetgever zijnde uitleg van
artikel 22 van de WAZ. Die grens van 24 weken is immers ingegeven door
de onder medische deskundigen gedeelde, breed gedragen opvatting dat
kinderen die geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 weken
niet levensvatbaar zijn. In een dergelijk geval doet zich de hiervoor
omschreven beschermingsgedachte van artikel 22 van de WAZ niet in de
door dit artikel beoogde omvang gevoelen.
Daarmee is niet in strijd dat appellant overeenkomstig de Lisv-standaard
in de gevallen dat de zwangerschap 24 weken heeft geduurd
bevallingsuitkering toekent, ongeacht of het kind levend of dood ter
wereld is gekomen. In die situatie is het kind immers in beginsel
levensvatbaar en heeft het met de moeder behoefte aan vorenomschreven
bescherming.
Gedaagde heeft nog wel bestreden dat de grens waarop kinderen
levensvatbaar zijn bij een zwangerschapsduur van 24 weken moet worden
gelegd. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat men in
academische ziekenhuizen er weliswaar soms in slaagt kinderen ook bij
een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken in leven te houden, maar
dat dit in de reguliere zorg niet voorkomt. Voorts heeft appellant
aangevoerd dat in de uitvoeringspraktijk in een zeer bijzonder geval van
de Lisv-standaard wordt afgeweken, als de verzekeringsarts daartoe
aanleiding ziet.
Met vorenomschreven handelwijze van appellant acht de Raad in voldoende
mate gewaarborgd dat in het heel uitzonderlijke geval dat een kind na
een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken levend geboren wordt, toch
aanspraak bestaat op uitkering ingevolge artikel 22 van de WAZ. Deze
bepaling kent immers zelf de 24 wekengrens niet.
De Raad ziet in dit geding geen aanknopingspunten voor het oordeel dat
het door appellant jegens gedaagde ingenomen standpunt onjuist is. De
verklaring van de gynaecoloog dr. R.E. Bernardus dat sprake is van een
bevalling is, het hiervoor overwogene in aanmerking nemend, onvoldoende
om een situatie als waarop artikel 22 van de WAZ ziet aanwezig te
achten.
Ten slotte wenst de Raad niet onvermeld te laten dat hij oog heeft voor
de verdrietige wijze waarop de zwangerschap van gedaagde is geëindigd
en dat hij met het voorgaande geenszins de emotionele gevolgen daarvan
heeft wensen te bagatelliseren.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak niet in
stand kan blijven en dus voor vernietiging in aanmerking komt. Het
inleidend beroep moet alsnog ongegrond worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|