|
Uitspraak
03/1267 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv).
Bij besluit van 5 december 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 16 oktober 1999 een uitkering krachtens de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend.
Het bezwaar dat appellant tegen dat besluit heeft gemaakt, heeft
gedaagde bij het bestreden besluit van 6 mei 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Assen heeft bij een uitspraak (nummer 02 / 491 WAZ) die
niet is gedateerd, maar blijkens een begeleidende brief kennelijk is
verzonden op 11 februari 2003, het namens appellant tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft appellant
bij gemachtigde mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, tegen
bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van appellant heeft op 14 januari 2004 en 2 maart 2004
nadere stukken aan de Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 april
2005, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. L.J. van der
Veen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door mr. T.M. Snippe, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende als vaststaand
aan te nemen feiten en omstandigheden:
”Eiser, geboren 3 juni 1961, was werkzaam als directeur
groot aandeelhouder in dienst van Roegiers Glas B.V. Hij is op 28
februari 1995 uit dienst getreden. In de periode 14 maart 1995 tot
september 1995 is eiser in verband met een ernstig geweldsdelict
gedetineerd geweest. In hoger beroep werd eiser in juni 1996 veroordeeld
tot een celstraf tot 2007.
Eiser heeft op 16 oktober 2000, bij verweerder ingekomen op 31 oktober
2000, een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend. Daarin
heeft hij vermeld sinds 14 maart 1995 arbeidsongeschikt te zijn.
De verzekeringsarts N.J. van Tilburg heeft op grond van onderzoek en
informatie van het Penitentiair Selectie Centrum geoordeeld dat eiser
volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd ten gevolge van
psychotische decompensatie. Als eerste arbeidsongeschiktheidsdatum is de
verzekeringsarts arbitrair uitgegaan van 14 maart 1995, de dag waarop
eiser in een politiecel werd opgesloten.
Bij besluit van 5 december 2001 heeft verweerder eiser met terugwerkende
kracht van een jaar voor de datum van aanvraag een uitkering ingevolge
de WAZ toegekend.”
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde zich in het
bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat met
betrekking tot appellant geen sprake is van een bijzonder geval als
bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ.
De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord; daartoe heeft de
rechtbank onder meer overwogen dat uit de door appellant overgelegde
stukken van de forensisch psychiaters Karayalcin en Krol en de klinisch
psycholoog Pauw blijkt dat appellant niet in staat was om de spanningen
en de stress van het delict en de daaropvolgende rechtsgang te
verwerken. Gezien de ernst van de klachten is de rechtbank met gedaagde
tot het oordeel gekomen dat het niet plausibel is dat appellant, ook in
het begin, niet kon inzien dat hij hierdoor beperkt was in zijn
functioneren.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er wel degelijk sprake
was van een bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin. In dat verband
is namens hem - kort en zakelijk weergegeven - gesteld dat hij,
gelet op het bij hem bestaande ziektebeeld, niet kon beseffen dat hij in
1995 arbeidsongeschikt was en dat hij toen reeds niet in staat was zijn
belangen goed te behartigen door middel van het aanvragen van een
uitkering.
Hetgeen van de kant van appellant is aangevoerd, heeft de Raad niet tot
een ander oordeel dan de rechtbank kunnen brengen. Daartoe overweegt de
Raad het volgende.
Blijkens vaste rechtspraak van de Raad moet van een bijzonder geval in
de thans aan de orde zijnde zin worden gesproken, indien de betrokken
verzekerde terzake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken
niet geacht kan worden in verzuim geweest te zijn; dit zal onder meer
het geval zijn wanneer de verzekerde -mede als gevolg van zijn
geestelijke gezondheidstoestand - het inzicht in de ernst, de aard en de
duurzaamheid van zijn psychische problematiek heeft ontbroken en om die
reden heeft nagelaten eerder een aanvraag om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen.
Blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende medische en
psychologische gegevens leed appellant reeds omstreeks maart 1995 in
wisselende mate aan ernstige psychische klachten die ook door hem zelf
destijds zijn onderkend en waarvan hij naar het oordeel van de Raad kon
beseffen dat deze van invloed waren op zijn geschiktheid tot het
verrichten van arbeid. Gelet op de wijze waarop hij in die tijd in de
penitentiaire inrichting waar hij verbleef, functioneerde, is het voorts
geenszins aannemelijk dat genoemde psychische klachten in die tijd een
beletsel vormden een uitkering aan te vragen. Derhalve was appellant
toen reeds in verzuim een uitkering aan te vragen. De omstandigheid dat
de klachten van appellant na het intreden van het verzuim in de loop der
jaren mogelijk zijn verergerd en het inzicht in zijn ziekteverschijnsel
eventueel is verminderd, kan hier niet aan afdoen.
Gelet op de ter beschikking staande gegevens van medische en
psychologische aard ziet de Raad onvoldoende aanleiding het van de kant
van appellant gedane verzoek om een deskundige te benoemen voor het
instellen van een onderzoek te honoreren.
De Raad ziet voorts geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|