|
Uitspraak
03/3247 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. R.F. Kötter, advocaat te Wierden, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 mei
2003, nummer 02/703 WAZ V1A, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens gedaagde is door de bezwaarverzekeringsarts E. Khoe gereageerd op
het aanvullend beroepschrift met bijlagen.
Hierop is door mr. Kötter, voornoemd, onder gelijktijdige overlegging
van een medisch stuk, gereageerd.
Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Khoe, voornoemd, heeft vervolgens
daarop gereageerd.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 april 2005 waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kötter,
voornoemd, en waar namens gedaagde - met voorafgaand bericht - niemand
is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante was laatstelijk sedert 1996 werkzaam als zelfstandig
horecaondernemer. Zij is op 1 maart 2000 uitgevallen met contacteczeem-
en rugklachten. Bij besluit van 6 november 2001 heeft gedaagde geweigerd
aan appellante een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen,
onder overweging dat appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd
van 52 weken, op 27 februari 2001 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24
juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit bezwaar
ongegrond verklaard. De rechtbank Almelo heeft bij de in rubriek I
genoemde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft overwogen dat gedaagde de beperkingen van appellante
niet heeft onderschat en dat daarmede voldoende rekening is gehouden bij
de geselecteerde functies.
In hoger beroep heeft appellante haar grieven tegen de medische en
arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit is de
Raad niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts A.J.
Hoffman in zijn rapport van 22 februari 2002 geaccordeerde
belastbaarheidspatroon van appellante, zoals in de primaire fase
opgesteld door de verzekeringsarts R.B.J. Hilhorst geen juiste weergave
vormt van de bij haar ten tijde hier in geding bestaande medische
beperkingen. De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts Hoffman
appellante zelf heeft onderzocht en bij het opstellen van zijn rapport
rekening heeft gehouden met informatie van de behandelend dermatoloog
R.G.J. Frank en de behandelend internist dr. M.R. de Groot. Hoffman
schetst in zijn meergenoemde rapport het beeld dat appellante door haar
eczeem wel klachten aan handen en voeten had, maar dat deze in
intensiteit wisselden. Volgens Hoffman zal de behandeling met Neoral
zeker een positieve invloed hebben gehad. Deze vond echter pas plaats na
het onderzoek door de verzekeringsarts Hilhorst van appellante op 27
september 2001. Hilhorst ziet bij zijn onderzoek een rustig eczeem aan
de hand zonder rhagaden en fissuren en zonder huidcontractuur. Daarnaast
is er sprake van onrustig eczeem aan de hakken en blijkt appellante ook
wondroos aan het been te hebben. Tevens is de rugfunctie licht beperkt.
Gezien deze bevindingen van de primaire verzekeringsarts kan er derhalve
volgens Hoffman niet gesteld worden dat appellante niet duurzaam
belastbaar was na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken.
Naar het oordeel van Hoffman kan het feit dat er, ofschoon appellante
nog geen Neoral gebruikte, bij haar sprake was van een rustig beeld, geëxtrapoleerd
worden naar de situatie op de in geding zijnde datum, 27 februari 2001.
Hoffman acht, gelet op het vorenstaande, goed verdedigbaar dat Hilhorst
een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld voor de periode van 27
februari 2001 tot de datum van zijn onderzoek, 27 september 2001.
Volgens Hoffman zal het beeld nadien verder zijn opgeklaard, doch dit
heeft zijns inziens geen invloed op de beoordeling.
De Raad stelt zich achter deze overwegingen van de
bezwaarverzekeringsarts Hoffman. Naar het oordeel van de Raad is
appellante er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij ten tijde
hier van belang niet in staat was duurzaam de werkzaamheden, verbonden
aan de voor haar geselecteerde functies, te verrichten. Bij het duiden
van die functies heeft gedaagde voldoende rekening gehouden met
appellantes beperkingen, zoals blijkend uit het voor haar geldende
belastbaarheidspatroon. De Raad overweegt in dit verband dat er in die
functies slechts in beperkte mate sprake is van een belastend gebruik
van handen en voeten. Naar appellantes gemachtigde desgevraagd ter
zitting heeft bevestigd ligt het accent bij haar klachten op de
frequente aanwezigheid van eczeem, zoals die ook uit de stukken naar
voren komt. Zo er al een vraagteken valt te plaatsen bij één der
geduide functies en die functie zou moeten vervallen, dan resteert een
andere functie, bijvoorbeeld die van gegevensbewerkster (functiebestandscode
3992), met een voldoende aantal arbeidsplaatsen om de onderhavige
schatting op te baseren. Omdat de mediaan hierbij niet een andere wordt,
zou dit geen invloed hebben op de voor appellant vastgestelde mate van
arbeidsongeschiktheid.
Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd maar overigens
niet is onderbouwd met nadere gegevens, biedt onvoldoende
aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen
van een nader medisch onderzoek.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het
bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W.
Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|