|
Uitspraak
03/2918 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft J. ter Welle, werkzaam bij Countus accountants en
adviseurs te Zwolle, op daartoe bij aanvullend beroepschrift, met
bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank Almelo van 6 mei 2003, nr. 02/661 WAZ, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 30
september 2003 nog enige stukken in het geding gebracht.
Namens appellant heeft J. ter Welle bij brief van 7 oktober 2003
gereageerd op het verweerschrift en de nadere stukken, waarna gedaagde
bij brief van 13 oktober 2003 zijn standpunt nader heeft toegelicht. Ten
slotte is namens appellant bij brief van 31 december 2003 gereageerd op
de brief van gedaagde van 13 oktober 2003.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 juli 2005, waar
namens appellant is verschenen J. ter Welle, voornoemd, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant is geboren [in] 1939 en is vanaf 1958 als zelfstandige
werkzaam geweest in een veehouderijbedrijf. Laatstelijk werkte appellant
in maatschapsverband samen met zijn zoon in het bedrijf gedurende
ongeveer 60 uur per week. In september 1998 heeft appellant aan gedaagde
verzocht om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in
verband met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vanaf 1 oktober 1997.
Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij nog ongeveer 45 uur per week
werkzaam was in het bedrijf en dat hij nog een bestuursfunctie vervulde
bij [naam bedrijf] te Zeist.
Bij besluit van 25 januari 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, omdat de mate van zijn
arbeidsongeschiktheid op 30 september 1998 minder dan 25% bedraagt. Aan
dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag, volgens welke
bij appellant sprake is van beperkingen in verband met rugklachten, de
ziekte van Scheuermann en schouderklachten. Hierop is een arbeidskundige
beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die
beperkingen sprake is ongeschiktheid tot het verrichten van een
belangrijk deel van de taken binnen het veehouderijbedrijf, maar van
geschiktheid tot het vervullen van een aantal functies, leidend tot een
mate van arbeidsongeschiktheid van 0%. Daarbij zijn aan appellant
functies voorgehouden met de werktijd van 34 tot 38 uur per week en is
op de verdiencapaciteit in die functies, gelet op de gemiddelde werktijd
van appellant voor het intreden van zijn beperkingen, van 60 uur per
week, de reductiefactor 0,68 toegepast.
Naar aanleiding van de namens appellant tegen voornoemd besluit
aangevoerde bezwaren heeft nader onderzoek plaatsgevonden door een
bezwaarverzekeringsarts en een registerarbeidsdeskundige. Daarbij is de
bezwaarverzekeringsarts tot de slotsom gekomen dat de belastbaarheid van
appellant niet te optimistisch is ingeschat, dat er geen aanleiding
bestond nadere inlichtingen in te winnen bij de huisarts en dat er geen
gronden bestaan voor een medische urenbeperking. De
registerarbeidsdeskundige heeft het maatmaninkomen van appellant nader
vastgesteld aan de hand van de CBS-index-totaal en heeft de resterende
verdiencapaciteit nader berekend op grond van de lagere reductiefactor
0,57. Deze wijzigingen leidden niet tot een relevante mate van
arbeidsongeschiktheid.
Op grond van deze adviezen heeft gedaagde bij besluit van 1 juli 2002
(hierna: het bestreden besluit) de bezwaren van appellant ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond
verklaard, overwegende - onder meer - dat zijdens gedaagde voldoende
kwalitatief medisch onderzoek is verricht, dat het inwinnen van
informatie bij de huisarts in dit geval niet noodzakelijk was en dat er
geen aanleiding bestaat een nader onderzoek te laten verrichten.
Namens appellant is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd, dat
voor hem meer beperkingen gelden als gevolg van de rugklachten en de
geconstateerde ziekte van Scheuermann dan gedaagde heeft aangenomen en
dat appellant in ieder geval niet in staat is werkzaamheden te
verrichten in een volledige dagtaak. Verder is aangevoerd dat de
beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op diverse aspecten
onzorgvuldig is geweest en dat appellant niet in staat is de hem
voorgehouden functies te vervullen.
Gedaagde heeft in hoger beroep een nadere arbeidskundige rapportage
overgelegd waarin een aantal van de aanvankelijk voorgehouden functies
onvoldoende actueel is bevonden en een nieuwe functie is toegevoegd,
doch de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is in geschil of gedaagde de voor appellant geldende
beperkingen juist heeft vastgesteld en of hij op basis daarvan terecht
heeft geoordeeld dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant op
30 september 1998 minder dan 25% bedroeg.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de
(bezwaar)verzekeringsartsen van gedaagde de voor appellant op 30
september 1998 geldende beperkingen ten aanzien van het verrichten van
arbeid op juiste en zorgvuldige wijze hebben vastgesteld. Daarbij wijst
de Raad erop dat rekening is gehouden met alle toen bij appellant
bestaande klachten en afwijkingen, waaronder de ziekte van Scheuermann,
en dat niet is gebleken dat de belastbaarheid van appellant toen is
overschat. Gelet op de aard van de door appellant genoemde klachten,
terzake waarvan hij toentertijd niet onder behandeling was van een
specialist, konden de (bezwaar)verzekeringsartsen van gedaagde voorts
afzien van het inwinnen van medische informatie omtrent appellant bij de
huisarts. Daarbij wijst de Raad erop dat uit de in hoger beroep
overgelegde medische gegevens van de huisarts niet blijkt van klachten
of afwijkingen die niet bekend waren aan de (bezwaar)verzekeringsartsen
van gedaagde. Gelet op de beschikbare medische gegevens omtrent
appellant is de Raad van oordeel dat geen aanknopingspunten bestonden
voor het oordeel dat er op 30 september 1998 op medische gronden een
urenbeperking voor appellant aangenomen diende te worden.
Voorts is de Raad van oordeel dat appellant geschikt moet worden geacht
de, (resterende) drie aan hem voorgehouden, functies van dienstindeler,
samensteller van metaalproducten en wikkelaar in een volledige dagtaak
te vervullen, nu in twee van die functies geen sprake is van een
overschrijding van zijn belastbaarheid van appellant en in de derde
functie de overschrijdingen gemotiveerd zijn toegelicht.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
stelt de Raad vast dat gedaagde, gelet op de verdiencapaciteit van
appellant in voornoemde functies en het maatmaninkomen van appellant, de
mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld
op minder dan 25%. Daarbij merkt de Raad op dat het in dit geding niet
nodig is in te gaan op de vraag of gedaagde het maatmaninkomen van
appellant in de loop van deze procedure terecht heeft gebaseerd op de
CBS-totaal-index in plaats van op de aanvankelijk gehanteerde
LEI-cijfers, nu beide berekeningen leiden tot een mate van
arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%. Voorts wijst de Raad er op dat
gedaagde in voldoende mate rekening heeft gehouden met het feit dat
appellant voorheen gemiddeld 60 uur per week werkzaam was, door de
resterende verdiencapaciteit vast te stellen op het uurloon van de
mediane functie vermenigvuldigd met een reductiefactor, gebaseerd op de
verhouding tussen het aanvankelijk aantal gewerkte uren en het kleinste
aantal werkuren in de voorgehouden functies.
Tot slot overweegt de Raad dat appellants stelling dat hij moet worden
beschouwd als een zogeheten medische afzakker in het geheel niet is
onderbouwd. Ook deze grief kan derhalve niet slagen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als
volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|