|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/529 WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2003,
02/2050 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 4 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Als gemachtigde van betrokkene heeft M.J.M. Gorter-Hogenbirk, werkzaam
bij de Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie (ANGO) een
verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft de neuroloog dr. J. Vos onder dagtekening 28 februari
2006 van verslag en advies gediend.
Hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink namens appellant
schriftelijk gereageerd. Vervolgens heeft de deskundige Vos desgevraagd
een schriftelijke reactie gegeven op het commentaar van de
bezwaarverzekeringsarts Weegink. Daarna heeft Weegink nog een
schriftelijke vervolgreactie gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. Appellant
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mevrouw Gorter-Hogenbirk.
II. OVERWEGINGEN
Betrokkene, werkzaam als directeur grootaandeelhouder van een
importbedrijf van meubelen en verlichtingsarmaturen, heeft in november
2001 een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) ingediend en
daarop aangegeven sedert 18 oktober 2000 arbeidsongeschikt te zijn.
Betrokkene is lijdende aan een rughernia. De verzekeringsarts M. Oyman
heeft na onderzoek op 10 december 2001 en na raadpleging van de
behandelend neuroloog J.C.B. Verhey betrokkene in verband daarmee onder
meer wat betreft het zitten in het werk beperkt tot 4 uren per werkdag
en 1 uur aaneengesloten en voorts aangegeven dat betrokkene afwisselend
dient te lopen, te zitten en te staan.
Aan een rapport van de arbeidsdeskundige J.J.W.G. Welling ontleent de
Raad het volgende:
"2.4 Onderzoek
Beschrijving maatmanfunctie
Belanghebbende is eigenaar en als enig personeelslid in dienst van het
bedrijf
[naam Holding] in [vestigingsplaats].
Belanghebbende koopt bij fabrikanten in Nederland maar ook in
West-Duitsland en Noord Italië kantoormeubelen, meubelen voor
particulieren en verlichtingsarmaturen in. Belanghebbende handelt in het
hoogste segment van de markt. De aankopen worden direkt doorverkocht aan
detaillisten in Nederland. Belanghebbende heeft dus geen voorraden!
De administratie van het geheel is ondergebracht in [naam bv] in
[vestigingsplaats]. Ook van deze bv is belanghebbende eigenaar.
Bij deze bv zijn 2 administratieve krachten in dienst. De ene fulltime
en de ander parttime. De boekhouding etc. wordt gedaan door een externe
accountant.
In zijn werk geeft belanghebbende leiding aan beide bedrijven en moet
hij veel reizen. Jaarlijks reist belanghebbende ca. 40.000 kilometer per
auto en af en toe ook per trein en vliegtuig. De werkweek bedraagt 40
uur.
Belasting van de maatmanfunctie
Uit het overleg met belanghebbende blijkt dat hij zijn werk voornamelijk
zittend uitvoert. Dit zitten wordt onderbroken door lopen en eventueel
staan als belanghebbende op de plaats van bestemming is aangekomen en
als hij weer vertrekt bij een klant of fabrikant.
Tijdens het reizen houdt belanghebbende volledig rekening met zijn
beperkingen. Als hij bijvoorbeeld een uur heeft auto gereden, dan stopt
belanghebbende bij een benzinestation om "zijn benen te
strekken" en te vertreden zodat hij er daarna weer een uur tegenaan
kan. Belanghebbende doet dit ook als hij per trein of vliegtuig reist.
Als belanghebbende gaat vliegen, dan zorgt hij er bovendien voor dat hij
een plaats (bij de nooduitgang) krijgt met veel beenruimte.
Arbeidsverleden
Belanghebbende heeft altijd gewerkt in de meubel- en
verlichtingsbranche. In 1968 tot 1970 was belanghebbende als werknemer
vertegenwoordiger in deze branche en van 1970 tot 1981 subagent. Sinds
1981 is belanghebbende zelfstandig ondernemer en directeur groot
aandeelhouder (DGA) van [naam Holding] in [vestigingsplaats].
Herplaatsingsmogelijkheden bij en visie en reactie van de eigen
werkgever.
Belanghebbende is DGA en blijft in zijn eigen werk functioneren.
Visie van belanghebbende over eigen werk, ander werk en reïntegratie
De praktijk geeft aan dat belanghebbende 1 dag zijn maatmanwerk doet en
de dag erna nodig heeft om te recupereren. Gemiddeld werkt
belanghebbende nu dus 20 uur per week. Belanghebbende zegt dat dit het
maximaal haalbare is vanwege zijn zit-, staan- en loop klachten.
Omdat belanghebbende 50 % minder is gaan werken, is zijn omzet ook
navenant verminderd. Tot 01-01-2002 is het inkomen van belanghebbende
onveranderd gebleven. Vanaf 01-01-2002 is het inkomen van belanghebbende
met 50 % verlaagd.
Belanghebbende acht zich voor 50 % geschikt voor zijn eigen werk.
2.5 Raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS)
Het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) werd niet geraadpleegd
om de arbeidsmogelijkheden van belanghebbende te toetsen en de
verdiencapaciteit te bepalen daar belanghebbende geschikt wordt geacht
voor zijn eigen werk."
Bij besluit van 31 januari 2002 is betrokkene een uitkering ingevolge de
Waz geweigerd met ingang van 18 oktober 2001, aangezien appellant
betrokkene voor minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van wet acht.
In bezwaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige C. Bakker in een rapport
van 21 mei 2001 geoordeeld dat betrokkene, nu hij wat betreft het zitten
is beperkt tot maximaal 4 uur per werkdag, zijn eigen werk niet geheel
kan doen. Bakker achtte daarom een theoretische schatting op functies
noodzakelijk.
Vervolgens is de zaak door de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl
voorgelegd aan de bezwaarverzekeringsarts Weegink, die betrokkene
tijdens de hoorzitting had gezien. Aan het rapport van de
bezwaarverzekeringsarts Weegink van 3 juli 2002 ontleent de Raad het volgende:
"Wel is mij gebleken dat de door de verzekeringsarts opgestelde
functionele mogelijkheden lijst op een aspect - zitten tijdens het werk
-niet correct de medische beperking van cliënt weerspiegelt. Hierover
is overleg gepleegd met de (verzekerings)arts, waarna de functionele
mogelijkhedenlijst op dit onderdeel is aangepast".
Bij besluit op bezwaar van 5 juli 2002, verder: het bestreden besluit,
heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
In de procedure bij de rechtbank heeft betrokkene een rapport van de
neurochirurg dr. P.H.J.M. Elsenburg dat op verzoek van een particuliere
verzekeringsmaatschappij is uitgebracht, overgelegd.
De bezwaarverzekeringsarts Weegink heeft desgevraagd in een rapport van
4 maart 2003 medegedeeld dat hem naar aanleiding van een overleg met de
verzekeringsarts Oyman duidelijk werd dat laatstgenoemde met de door hem
gestelde beperking heeft bedoeld dat betrokkene verspreid over de gehele
dag afwisselend kon zitten, staan en lopen.
Op verzoek van de rechtbank heeft de neuroloog J. Heerema betrokkene
onderzocht. Heerema acht betrokkene niet in staat om zijn werk als
zelfstandig inkoper gedurende 40 uur per week te doen.
Vervolgens is Heerema, geconfronteerd met een schriftelijke reactie van
Weegink op zijn rapport, bij zijn standpunt gebleven.
De rechtbank heeft het standpunt van de door haar ingeschakelde
deskundige gevolgd, het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het
bestreden besluit vernietigd en appellant veroordeeld tot vergoeding van
proceskosten en griffierecht aan betrokkene.
Appellant bestrijdt in hoger beroep met name de juistheid van het
oordeel van de neuroloog Heerema. Naar het oordeel van de
bezwaarverzekeringsarts Weegink heeft Heerema de afweging tussen de
belastbaarheid van betrokkene en de belastende factoren in het werk niet
inzichtelijk gemaakt.
Betrokkene heeft in het verweerschrift aangegeven het met de uitspraak
van de rechtbank eens te zijn.
De door de Raad ingeschakelde deskundige Vos komt in zijn rapport tot de
volgende beschouwingen en conclusies:
"Beschouwing: Op grond van mijn onderzoek, een uitgebreid medisch
vraaggesprek naar de klachten van eiser, gevolgd door een algemeen
medisch en neurologisch onderzoek en na bestudering van het dossier en
de medische informatie daarin ben ik van oordeel dat eiser reële
klachten heeft van een hernia onder in de lendenwervelkolom. Deze hernia
heeft bij perioden zodanig ernstige klachten gegeven dat eiser daardoor
in belangrijke mate was geïnvalideerd. Zoals hij zelf aangeeft zijn de
klachten wisselend in intensiteit en heeft hij goede dagen naast slechte
dagen. Hij is echter nooit klachtenvrij geweest voorafgaande aan de
periode die nu aan de orde is. Dit blijkt niet alleen uit het verslag
van eiser zelf maar is vastgelegd in correspondentie met name van zijn
neuroloog. Wie veel hernia patiënten heeft behandeld komt de
ziektegeschiedenis van eiser bekend voor. Het is derhalve naar mijn
oordeel dan ook een illusie om te stellen dat er bij optimale
werkomstandigheden geen sprake zou zijn van een urenrestrictie. Zijn
ziektegeschiedenis bewijst dat eiser dat niet in de hand heeft. Ten
aanzien van het zitten is eiser beperkt.
De vraagstelling bij het deskundigenonderzoek kan als volgt worden
beantwoord.
A.l Eiser heeft thans een hernia in zijn lendenwervelkolom waardoor een
zenuw in wisselende mate wordt beklemd en daardoor in intensiteit
wisselende klachten veroorzaakt. Daarnaast heeft hij nekklachten met af
en toe uitstralende pijn als gevolg van verouderingsveranderingen in de
nekwervelkolom. Zijn hoge bloeddruk was tijdens mijn onderzoek niet goed
ingesteld.
B.1. Op 18 oktober 2001 had eiser vooral klachten van de in A.I genoemde
hernia die werd geobjectiveerd met een CT-scan en een MRI-scan.
B.2 Zoals in mijn beschouwing uiteen gezet meen ik dat niet verwacht mag
worden dat eiser zelfs onder optimale werkomstandigheden dagelijks zijn
werk volledig kan verrichten.
B.3 Eiser is beperkt ten aanzien van rugbelastende activiteiten. Zitten
is met name een rugbelastende activiteit.
B.4 Betrokkene was naar mijn oordeel op 18 oktober (de raad begrijpt)
2001 niet in staat tot het fulltime verrichten van zijn eigen werk als
zelfstandig ondernemer.
C.I Een nader deskundigenonderzoek acht ik niet noodzakelijk. De
aandoening van betrokkene hoort tot het vakgebied van de neuroloog. Bij
mijn onderzoek heb ik niet de indruk gekregen dat psychiatrische
stoornissen hier een rol spelen.
C.2 Het valt niet te vrezen dat kennisneming van mijn rapportage de
lichamelijke of geestelijke gezondheid van betrokkene zal schaden."
De Raad moet thans de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht het
bestreden besluit niet in stand heeft gelaten.
Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Op grond van de rapporten van
de onafhankelijke en onpartijdige deskundigen Heerema en Vos is de Raad
van oordeel dat betrokkene op de datum in geding, 18 oktober 2001,
vanwege ziekte of gebrek niet in staat was om zijn eigen werk als
zelfstandig inkoper, zoals omschreven in het rapport van de
arbeidsdeskundige Welling, volledig te verrichten.
De Raad overweegt dat de deskundige Vos in zijn conclusie degelijk heeft
onderbouwd waarom zijn oordeel is dat betrokkene met name vanwege het
zeer rugbelastende aspect zitten zijn werk, dat voor een zeer belangrijk
deel bestaat uit langdurig autorijden, niet meer volledig kan
verrichten. Deze, onderbouwde, inschatting van betrokkenes
belastbaarheid gemaakt door een door de rechter ingeschakeld medisch
specialist op het terrein van de aandoening van betrokkene, welke
inschatting na ampel medisch onderzoek is gegeven, is voor de Raad
doorslaggevend.
Naar aanleiding van de reacties van de bezwaarverzekeringsarts Weegink
overweegt de Raad:
- dat Weegink betrokkene tijdens de hoorzitting weliswaar heeft gezien
maar hem niet heeft onderzocht, terwijl Vos uitgebreid medisch
specialistisch onderzoek heeft gedaan;
- dat Weegink niet heeft toegelicht waarom hem duidelijk is geworden dat
de verzekeringsarts Oyman aanvankelijk in zijn rapportage het zitten bij
betrokkene heeft beperkt tot maximaal 4 uur per werkdag en 1 uur
aaneengesloten maar dat anders zou hebben bedoeld;
- dat voor zover Weegink een beroep doet op de Standaard Verminderde
Arbeidsduur dit een beleidsstuk is van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, inhoudende een instructie aan de
verzekeringsartsen van die instantie.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt met dien verstande dat de Raad appellant tevens zal
opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van betrokkene in hoger beroep.
Deze worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger
beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 421,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en R.C. Stam
en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 4 juli 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|