|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/5125 WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 september 2003,
02/1147 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft L. Noy, vrijwillig consulent sociale zekerheid
te Stein, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Voor
appellante is verschenen Noy, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door M.J. Lagerweij.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, werkzaam als zelfstandig exploitante van een friture/snackbar,
heeft in april 2001 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), omdat
zij sedert augustus 2000 arbeidsongeschikt zou zijn. Een
verzekeringsarts heeft haar gezien op zijn spreekuur van 17 augustus
2001 en geconcludeerd dat bij appellante sprake was van beperkingen tot
het verrichten van arbeid als gevolg van been/rugklachten rechts en
schouderklachten rechts. Hij heeft een belastbaarheidsprofiel opgesteld
en na ontvangst van informatie van de behandelend neuroloog gesteld dat
deze informatie zijn conclusie bevestigt. Een arbeidsdeskundige heeft
vervolgens zeven functies geselecteerd en het verlies aan
verdiencapaciteit op nihil berekend aan de hand van het mediane loon van
de drie hoogst verlonende functies. Bij besluit van 16 november 2001
heeft het Uwv geweigerd appellante een WAZ-uitkering toe te kennen onder
de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid na afloop van de
wachttijd van 52 weken minder dan 25% bedraagt.
In de bezwaarfase heeft een bezwaarverzekeringsarts het
belastbaarheidsprofiel op de aspecten staan en lopen aangescherpt. De
primaire verzekeringsarts, die op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts
alsnog een oordeel heeft gegeven over de geschiktheid van de functies,
heeft drie functies laten vervallen, waarmee de bezwaarverzekeringsarts
zich kon verenigen. Het Uwv heeft bij besluit van 18 juli 2002 (het
bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16
november 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante gewezen op de
miscommunicatie binnen het Uwv, onder andere tussen de verzekeringsarts
en de arbeidsdeskundige in de primaire fase, en op het feit dat
appellante niet begrijpt waarom zij nog steeds niet bij de
verzekeringsarts is opgeroepen voor een herkeuring. Hij stelt zich
verder op het standpunt dat ten onrechte tijdens de hoorzitting geen
keuring is uitgevoerd en beroept zich op het gegeven dat Interpolis een
arbeidsongeschiktheidsuitkering van 50% uitkeert.
Het Uwv heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de
oorspronkelijke arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
gebreken vertoont, in die zin dat functies zijn geselecteerd, waarvan
niet vast staat dat ze op de datum in geding ook voorkwamen en dat
functies zijn geselecteerd met een afwijkend arbeidspatroon (wisselende
diensten met een toeslag voor het werken op afwijkende uren), terwijl
daarvan in de maatgevende arbeid geen sprake is. Een
bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens opnieuw functies geselecteerd
en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 3,3%. Volgens het Uwv
bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding nog
steeds minder dan 25% en heeft appellante geen recht op een
WAZ-uitkering.
De Raad overweegt als volgt.
In de eerste plaats merkt de Raad op dat slechts ter beoordeling kan
staan de inhoud en de wijze van totstandkoming van het bestreden besluit.
Aan de grieven van appellante die betrekking hebben op een nieuwe oproep
voor een herkeuring of op de miscommunicatie voorzover die geen
betrekking heeft op de totstandkoming van het bestreden besluit gaat de
Raad voorbij.
Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding voor twijfel aan de
medische grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsarts heeft
eigen onderzoek verricht en informatie ingewonnen bij de behandelend
neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en de
hoorzitting bijgewoond, maar geen lichamelijk onderzoek verricht. Onder
de gegeven omstandigheden kan het achterwege blijven van een lichamelijk
onderzoek niet onzorgvuldig worden genoemd. De medische situatie van
appellante was duidelijk en appellante heeft niet aangegeven dat ten
opzichte van de eerdere beoordeling door de primaire verzekeringsarts
sprake was van een verslechtering van haar medische situatie. De
bezwaarverzekeringsarts heeft voorts naar het oordeel van de Raad
adequaat gereageerd op de medische informatie die appellante in de
beroepsfase heeft ingebracht en in die informatie terecht geen
aanleiding gezien voor het aannemen van meer beperkingen.
In hoger beroep heeft het Uwv onderkend dat de arbeidskundige grondslag
van het bestreden besluit gebreken vertoont. De Raad stelt vast dat van
de aanvankelijk zeven geselecteerde functies, drie functies zijn
vervallen vanwege overschrijding van de belastbaarheid. Van de
overgebleven vier functies is een functie geactualiseerd na de datum in
geding, terwijl in een andere functie sprake is van wisselende diensten
met een toeslag voor afwijkende arbeidstijden. Twee functies vormen een
te smalle basis voor een schatting, zodat het bestreden besluit op een
ontoereikende arbeidskundige grondslag berust. Het bestreden besluit is
genomen in strijd met artikel 9 van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) en artikel 7:12 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad zal de aangevallen uitspraak
vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit
vernietigen. Gelet op het standpunt van het Uwv dat nieuw arbeidskundig
onderzoek heeft laten zien dat de mate van arbeidsongeschiktheid op de
datum in geding nog steeds minder dan 25% bedraagt, zal de Raad
beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te
vernietigen besluit in stand te laten.
De bezwaararbeidsdeskundige heeft negen functies geselecteerd en aan de
schatting ten grondslag gelegd de functies bankbediende (Fb-code 3396),
archiefemployé (Fb-code 3953) en receptionist (Fb-code 3941). De
bezwaarverzekeringsarts heeft de in de belasting van deze functies
voorkomende asterisken besproken en geconcludeerd dat deze functies de
belastbaarheid van appellante niet te boven gaan. De Raad heeft twijfel
over de functie van archiefemployé, gelet op de belasting op het punt
staan waar sprake is van een aanzienlijke overschrijding, maar stelt
tegelijkertijd vast dat bij het vervallen van deze functie voldoende
functies resteren die qua belasting passend zijn en die geen aanleiding
geven voor toekenning van een WAZ-uitkering.
De Raad is niet gebleken van andere onvolkomenheden bij de nadere
onderbouwing van de arbeidskundige grondslag, zodat de vraag of
aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in
stand te laten positief wordt beantwoord. De Raad merkt hierbij tevens
op dat de grief over het achterwege blijven van overleg tussen de
verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige in de primaire fase geen
bespreking meer behoeft en dat voor de toekenning van een WAZ-uitkering
geen argumenten kunnen worden ontleend aan het uitkeren van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering door een verzekeringsmaatschappij.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze
kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in
eerste aanleg.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in
stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste
aanleg tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.
Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.
Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|