|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/109
WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 november
2004, 03/218 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. T.H.M.M. Kusters, medewerker van Stichting
Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. D.M.G.M.W. Heijnen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze, door partijen
niet bestreden, heeft vastgesteld. Samengevat komt het er op neer dat
het Uwv in verband met de door appellant als gedeeltelijk doorwerkende
zelfstandige genoten inkomsten over 2000 de aan appellant toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandigen (WAZ) op nihil heeft
gesteld.
Aanvankelijk is het maatmaninkomen van appellant door het Uwv
vastgesteld aan de hand van de zogenaamde LEI-indexcijfers. Ook bij het
bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid over 2000 is het op die
manier berekende maatmaninkomen het uitgangspunt geweest. De
arbeidsdeskundige heeft in december 2001 het maatmaninkomen opnieuw
berekend met behulp van CBS-indexcijfers en dit in zijn rapportage van 4
juni 2002 vergeleken met de aan appellant over 2000 toe te rekenen
bedrijfswinst, waarna hij tot de conclusie is gekomen dat appellant op
basis van deze winst in theorie minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht
zou moeten worden, zodat aanleiding bestond tot anticumulatie van de
inkomsten uit arbeid over 2000 met toepassing van artikel 58 van de WAZ.
Bij besluit van 20 december 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
het Uwv gehandhaafd zijn eerdere besluit van 16 juli 2002, inhoudende
dat de WAZ-uitkering over het jaar 2000 met toepassing van artikel 58
van de WAZ niet tot uitbetaling komt.
Appellant heeft beroep bij de rechtbank ingesteld, waarbij hij onder
andere heeft aangevoerd dat het Uwv met deze handelwijze met
terugwerkende kracht ten nadele van hem terugkomt van het in 2000
vastgestelde maatmaninkomen. Hij acht dat in strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard in verband met een
onderdeel van het besluit van 20 december 2002 dat in hoger beroep niet
meer aan de orde is en heeft bepalingen gegeven over vergoeding van
proceskosten en betaling van griffierecht; tevens heeft de rechtbank
bepaald, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven.
In hoger beroep keert appellant zich naar het oordeel van de Raad
terecht en op goede gronden tegen de beslissing van de rechtbank om de
rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe
verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 augustus 2006, USZ 2006,
292, waaruit blijkt dat het in strijd met het systeem van de WAZ is om
over eenzelfde periode voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ een
andere maatman te hanteren dan die wordt gehanteerd voor de vaststelling
van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 2 van de WAZ.
Bovendien is het in het algemeen in strijd te achten met het
rechtszekerheidsbeginsel om aan de toepassing van artikel 58 van de WAZ
terugwerkende kracht te verbinden. Dit beginsel lijdt echter
uitzondering indien de betrokkene redelijkerwijs geacht kan worden
kennis te dragen van het feit dat de inkomsten van invloed kunnen zijn
op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of
het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald dan wel indien het ongewijzigd
voortzetten van de uitkering (mede) het gevolg is geweest van onjuiste
of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene. Van dit laatste
is in het onderhavige geval geen sprake geweest. Van een in zijn eigen
bedrijf doorwerkende zelfstandige die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, mag worden verwacht dat hij er
rekening mee houdt dat het bedrijfsresultaat over een bepaald jaar van
invloed kan zijn op het bedrag aan uitkering waarop hij, achteraf
bezien, recht heeft. Het is in het onderhavige geval echter niet het
achteraf gebleken bedrijfsresultaat geweest dat heeft geleid tot
volledige anticumulatie, maar een van de zijde van het Uwv gevolgde
andere berekeningswijze van het maatmanloon in het kader van een claim
van appellant van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van
de Raad kan niet worden volgehouden dat appellant daarmee redelijkerwijs
rekening had moeten houden. De wijze waarop het Uwv de anticumulatie
over het jaar 2000 heeft toegepast is daarom in strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel.
Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit en de
aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in
aanmerking komen.
Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet
bestuursrecht verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan zijn
kant.
Nu het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de
totstandkoming ervan en het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te
nemen ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke
schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit
zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op
bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er
termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van
appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor
verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 102,--
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam
en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R.
de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
|
|