|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3380
WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 april 2005, 03/2644
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 8 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006.
Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich
laten vertegenwoordigen door D.M.G.M.W. Heijnen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, een zelfstandige die als onderaannemer in het betontimmerwerk
werkt, ontvangt sinds 8 juni 1998 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid heeft
appellant zijn bedrijf omgezet in een vennootschap onder firma met zijn
echtgenote als firmant. Over 1999 is de winstverdeling bepaald op 40%
voor appellant en op 60% voor zijn echtgenote. Vanaf 2000 wordt de winst
gelijkelijk over appellant en zijn echtgenote verdeeld.
Na ontvangst van de jaarstukken heeft arbeidskundig onderzoek
plaatsgevonden en heeft het Uwv bij drie besluiten van 28 maart 2003 beslist dat:
- de WAZ-uitkering over 1999 en 2001 niet tot uitbetaling komt onder
toepassing van artikel 58 WAZ;
- de WAZ-uitkering over 2000 onder toepassing van artikel 58 WAZ tot
uitbetaling komt als ware appellant 25 tot 35% arbeidsongeschikt;
- met ingang van 1 januari 2002 de WAZ-uitkering wordt ingetrokken,
omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.
Bij besluit van 8 april 2003 heeft het Uwv de teveel betaalde
WAZ-uitkering over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2003 ad € 20.811,01 teruggevorderd.
Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen deze vier besluiten bij
besluit van 31 oktober 2003 ongegrond verklaard. In de beroepsfase heeft
het Uwv dit besluit deels gewijzigd en wel in die zin dat de
WAZ-uitkering met ingang van 1 januari 2002 niet wordt ingetrokken, maar
verlaagd en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot
35% en dat het terug te vorderen bedrag nader wordt bepaald op €
8.713,44.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij zich
niet kan verenigen met het feit dat de fiscaal aan hem toebedeelde winst
als inkomsten uit arbeid wordt gezien, omdat hij niet meer in staat is
arbeid in die omvang te verrichten. Hij vindt het verder onjuist dat het
arbeidsongeschiktheidspercentage is verlaagd zonder dat een medische
keuring heeft plaatsgevonden en dat een te lange tijd is verstreken
tussen de toezending van de jaarstukken en het terugvorderingsbesluit.
De Raad overweegt als volgt.
Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de fiscaal aan hem
toebedeelde winst wel degelijk als inkomsten uit arbeid kan worden
aangemerkt. Blijkens vaste jurisprudentie van de Raad dient bij de
beantwoording van de vraag of een zelfstandige in zijn bedrijf arbeid
heeft verricht en daaruit inkomsten uit arbeid heeft verworven in
beginsel doorslaggevende betekenis toe te komen aan de in het kader van
de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en gehonoreerde -
keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken wanneer sprake is van
bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel
rechtvaardigen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de Raad niet
gebleken, zodat de Raad concludeert dat het Uwv op goede gronden over
het jaar 1999 40% van de fiscale netto winst en over de jaren 2000 en
2001 50% van de fiscale netto winst aan appellant als inkomsten uit
arbeid heeft aangemerkt.
De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn stelling dat ten onrechte
geen medische keuring heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de
afschatting per 1 januari 2002. De verlaging van de WAZ-uitkering is
gebaseerd op toepassing van artikel 58, tweede lid, laatste volzin, van
de WAZ. Ingevolge dit artikellid wordt arbeid die gedurende drie
achtereenvolgende jaren is verricht en heeft geleid tot anticumulatie op
grond van artikel 58, eerste lid, van de WAZ aangemerkt als arbeid in de
zin van artikel 2, vierde lid, van de WAZ, te weten, algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is. Dit betekent dat maximaal drie jaar achtereen
mag worden geanticumuleerd en dat vervolgens een schatting dient plaats
te vinden op basis van de feitelijk gerealiseerde verdiencapaciteit. Bij
zelfstandigen zoals appellant wordt daarbij uitgegaan van het gemiddelde
inkomen dat is genoten in die drie jaren waarin anticumulatie heeft
plaats gevonden. Een medische keuring is in een dergelijk geval niet
vereist.
Het Uwv heeft ter zitting toegegeven dat een te lange tijd is verstreken
tussen de ontvangst van de jaarstukken over met name 1999 en het afgeven
van het terugvorderingsbesluit. De Raad overweegt ten aanzien van dit
punt dat het handelen van het Uwv niet kan worden geacht in strijd te
zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat er ten
tijde van het indienen van de jaarstukken nog geen sprake was van een
geschil, dat wil zeggen van tenminste een kenbaar standpunt van het
bestuursorgaan, terzake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is
gemaakt dat de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in
rechte wil verzetten.
Concluderend is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van
der Wiel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 8 februari 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.
|
|