|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4755
WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2005, 05/192
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.Z.U. Virágh, advocaat te Bergen op Zoom,
hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 13 april 2007.
Appellant is niet verschenen en het Uwv, met kennisgeving, evenmin.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar
de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
Op 21 december 2003 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd. In
het betreffende formulier heeft hij aangegeven dat er in 1999 sprake was
van een aanrijding, en dat hij sedert het ongeval steeds minder werkzaam
is. Op 7 april 2004 is appellant op het spreekuur onderzocht door de
verzekeringsarts A. de Cler. Deze noteert in zijn rapport van dezelfde
datum, dat appellant volledige arbeidsongeschiktheid claimt wegens
whiplashklachten sinds 15 maart 2003, en dat voor die dag is gekozen
omdat appellant toen meer klachten heeft gekregen, naar de huisarts is
geweest en manuele therapie heeft gekregen.
Bij het primaire besluit van 5 augustus 2004 heeft het Uwv geweigerd
appellant aansluitend aan de wettelijke wachttijd van 52 weken, per 15
maart 2004 een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat hij nog in staat wordt
geacht zijn eigen werkzaamheden te verrichten in dezelfde omvang als
voor maart 2003. In het tegen dit besluit gerichte bezwaarschrift heeft
appellant onder meer aangevoerd dat zijn arbeidsongeschiktheid dateert
van lang voor 2003. Hij heeft gesteld dat hij door het ongeval in 1999
grotendeels arbeidsongeschikt werd, dat hij geen kitwerkzaamheden meer
kon verrichten en zich grotendeels is gaan concentreren op het reilen en
zeilen van het bedrijf.
Nadat appellant had afgezien van een hoorzitting, heeft de
bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest blijkens haar rapport van 7
december 2004 de medische beoordeling van de verzekeringsarts
onderschreven. Zij heeft niet nader beoordeeld of er mogelijk al voor 15
maart 2003 bij appellant beperkingen tot het verrichten van arbeid
bestonden. Met het bestreden besluit van 7 december 2004 heeft het Uwv
de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Uit de tekst van het
besluit blijkt niet dat er een heroverweging heeft plaats gevonden van
de zogenoemde eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
In het beroepschrift heeft de gemachtigde van appellant verwezen naar
het bezwaarschrift. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep ter
zitting heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat appellant al
langer klachten en beperkingen heeft. Ook is verwezen naar een eerdere
aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. In deze
uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“Met betrekking tot de eerst ter zitting aangevoerde grief dat de
datum in geding veel eerder ligt dan nu is vastgesteld overweegt de
rechtbank dat de aanvraag hier niet op ziet zodat dit buiten de omvang
van het geding valt en deze grief derhalve niet inhoudelijk beoordeeld
zal worden.”
In hoger beroep is namens appellant onder meer aangevoerd dat het
bestreden besluit en de aangevallen uitspraak onvoldoende zijn
gemotiveerd, omdat appellant al bij zijn aanvraag heeft gemeld dat hij
sinds het ongeval in 1999 steeds minder werkzaam is geweest. Hij stelt
dat de eerste datum van zijn arbeidsongeschiktheid 23 januari 1999, 21 juli 2000 of tenminste 13 september 2000 moet zijn. Ter ondersteuning
van zijn standpunt heeft appellant een rapport d.d. 17 februari 2005
overgelegd van een door de psycholoog mr. drs. W.C.A. Tubbergen in het
kader van een strafzaak verricht onderzoek.
Bij wijze van verweer in hoger beroep heeft het Uwv een rapport d.d. 29
september 2005 van zijn bezwaarverzekeringsarts Van Geest overgelegd.
Daarin geeft zij aan dat de primaire verzekeringsarts De Cler op de
hoogte was van de opname van appellant in het ziekenhuis in het jaar
2000, en dat er tijdens het spreekuur in 2004 geen aanwijzingen waren
voor ernstige psychische klachten. Zij geeft verder aan dat het rapport
van de psycholoog Tubbergen is gericht op 2000 en niet op de in geding
zijnde datum 15 maart 2004.
Naar het oordeel van de Raad slaagt de grief van appellant. Voor een
beoordeling van de aanspraken op een WAZ-uitkering van appellant is het
noodzakelijk om vast te stellen wanneer hij in relevante mate
beperkingen heeft gekregen in de zin van de WAZ en hoe deze beperkingen
zich hebben ontwikkeld. Deze bepaling van de zogenoemde eerste
arbeidsongeschiktheidsdag is onder meer van belang om te kunnen
vaststellen wat als de zogenaamde soortgelijke gezonde (maatman) in de
zin van artikel 2 WAZ kan worden aangemerkt. Dit is te meer noodzakelijk
in een situatie, zoals in casu, waarin gedurende de tijd sprake is
geweest van een afnemende en/of wisselende arbeidsinzet.
Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, is
de Raad met appellant van oordeel dat hij al in zijn aanvraag melding
heeft gemaakt van beperkingen die mogelijk al sinds het ongeval in 1999
bestaan en van het feit dat hij sindsdien steeds minder werkzaam is
geweest. Ook op het spreekuur van Van Geest heeft hij het verband tussen
zijn klachten en het verkeersongeval gelegd. Appellant heeft ook in zijn
bezwaarschrift gesteld dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste eerste
arbeidsongeschiktheidsdag en heeft dat ter zitting van de rechtbank
nogmaals aangevoerd.
Het Uwv is steeds uitgegaan van de datum 15 maart 2003, en heeft die
datum in zijn besluitvorming en in de rapportages die daaraan ten
grondslag hebben gelegen, nooit nader gemotiveerd in het licht van
hetgeen appellant bij zijn aanvraag en in zijn bezwaarschrift heeft
gesteld. Ook hetgeen de bezwaarverzekeringsarts Van Geest in hoger
beroep in haar rapport van 29 september 2005 hieromtrent heeft gesteld,
is naar het oordeel van de Raad onvoldoende, omdat zij met name
motiveert waarom er op 15 maart 2004 geen beperkingen van psychische
aard voor appellant zijn geformuleerd.
Naar het oordeel van de Raad had het Uwv gericht onderzoek moeten doen
naar een mogelijk eerder ontstaan van beperkingen van appellant. Dan was
mogelijk gebleken dat appellant wellicht als gevolg van die beperkingen
zijn arbeidspatroon heeft aangepast, hetgeen relevant kan zijn voor de
vraag of hij aanspraak kan maken op een WAZ-uitkering.
Daaraan kan niet afdoen dat appellant pas op 21 december 2003 een
aanvraag heeft gedaan. Evenmin kan daaraan afdoen dat appellant in
beroep en hoger beroep heeft gesteld dat hij eerder per fax een aanvraag
heeft ingediend, waarvan het Uwv heeft aangegeven dat een dergelijke
aanvraag niet bekend is.
De Raad is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het
bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet berust op
een deugdelijke motivering, zodat het is genomen in strijd met het
bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
Onder vernietiging van de aangevallen uitspraak zal het inleidende
beroep daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden
vernietigd. Het Uwv dient een nieuw besluit op de bezwaren van appellant
te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde
van appellant wegens de aan hem verleende rechtsbijstand begroot op €
644,- in beroep en € 322,- in hoger beroep. Voor vergoeding van de
kosten van de rapporten van de arts A.W. Lechner ziet de Raad geen
aanleiding, nu deze niet zijn uitgebracht ten behoeve van het bezwaar,
beroep en/of hoger beroep tegen het in dit geding bestreden besluit,
maar in verband met de civiele aansprakelijkheidskwestie.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep tegen het besluit van 7 december 2004
gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag
van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam
en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 mei
2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
|
|