|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/6407
WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 oktober 2004, 03/867
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 juni 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007.
Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.J. van der
Veen, advocaat te Groningen. Het Uwv was vertegenwoordigd door L.A.G.G.
Schoonderbeek.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide
weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang
zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Bij besluit van 27 november 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellant
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat hij op en na 26
december 2000, één jaar voor datum aanvraag, minder dan 25%
arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 21 augustus 2003 heeft het Uwv het door appellant tegen
het besluit van 27 november 2002 ingestelde bezwaar gegrond verklaard en
aan appellant met ingang van 26 december 2000 een uitkering ingevolge de
WAZ toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65
tot 80%. Voorts heeft het Uwv bepaald dat deze uitkering, onder
toepassing van artikel 58 van de WAZ, wordt uitbetaald als ware
appellant ingedeeld in de arbeidsongeschikheidsklasse 45 tot 55%.
De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 21 augustus
2003 (hierna: bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich aanvankelijk op het standpunt
gesteld dat het medische dossier waarop het Uwv haar besluit baseert
onvolledig is omdat de bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met het
opvragen van medische informatie bij appellants huisarts; volgens
appellant is dit onvoldoende omdat die informatie onvolledig is en had
het Uwv informatie moeten opvragen bij de medisch specialisten die hem
behandeld hebben. Voorts heeft appellant de Raad verzocht om de
toegepaste anticumulatie met ingang van 1 maart 2002 te beëindigen.
Hierbij heeft appellant aangegeven dat hij zichzelf vanaf 1 maart 2001
arbeidsongeschikt acht en dat hij zichzelf gedurende één jaar
ziekengeld heeft doorbetaald conform de wettelijke voorschriften.
Appellant heeft verder gesteld dat het besluit op bezwaar niet tijdig is
genomen omdat hij nog steeds geen bericht heeft gehad over de grondslag
van de uitkering en dat het Uwv hem ten onrechte geen wettelijke rente
heeft toegekend over de nabetaalde uitkering.
Bij besluit van 21 juni 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld hoeveel
de grondslag bedraagt waarnaar de uitkering wordt berekend.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat appellant
zich bij nader inzien neerlegt bij de door het Uwv vastgestelde eerste
arbeidsongeschiktheidsdag van 20 september 1995. Tevens heeft de gemachtigde van appellant aangegeven
dat appellant geen uitspraak van de Raad meer wenst over de punten
wettelijke rente, ontbreken van de grondslag in het bestreden besluit en
de datum waarop de anticumulatie zou moeten eindigen.
Aangegeven is dat appellant zich met name niet kan verenigen met de door
het Uwv aangenomen medische beperkingen bij het verrichten van arbeid.
Daarbij stelt appellant zich thans voor het eerst ter zitting op het
standpunt dat zijn medische beperkingen op 26 december 2000 ten opzichte van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag
zijn toegenomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant
verwezen naar het door hem overgelegde rapport d.d. 24 maart 2003 van
drs. J.J. Harms, GZ en loopbaanpsycholoog, verbonden aan de Geldergroep.
Voorts heeft appellant erop gewezen dat uit de medische stukken is af te
leiden dat zijn medische consumptie is toegenomen vanaf 2000. Verder kan
appellant zich op één punt niet verenigen met de “vertaling” door
de bezwaarverzekeringsarts van de beperkingen uit de aanvankelijk
opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) naar het
Functie-informatiesysteem (FIS). Tenslotte is appellant het niet eens
met de in bezwaar gehanteerde berekening van het maatmaninkomen, nu in
bezwaar het inkomen over 1994 niet meer werd toegerekend aan 8 maanden
maar aan 9 maanden. Onder verwijzing naar de door hem over het jaar 1994
ingevulde belastingaangifte heeft appellant gesteld dat hij vanaf 1 mei
1994 - en derhalve in 1994 maar 8 maanden - als zelfstandige heeft
gewerkt.
De Raad stelt allereerst vast dat appellant de aangevallen uitspraak nog
slechts op een beperkt aantal punten bestrijdt.
Voorts stelt de Raad vast dat tussen partijen niet meer in geschil is
dat 20 september 1995 moet worden aangemerkt als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag.
Voor wat betreft de door het Uwv in aangenomen beperkingen per datum in
geding overweegt de Raad het volgende. De verzekeringsarts W.R. Roelink
heeft aangegeven dat appellant is aangewezen op werkzaamheden die passen
binnen de FML, en dat hiervan direct na het ongeval op 20 september 1995
in feite ook al sprake was. Naar aanleiding van het in bezwaar ingenomen
standpunt (dat eerst ter zitting in hoger beroep is verlaten) dat de
arbeidsongeschiktheid pas is ingetreden op 1 maart 2001 heeft de
bezwaarverzekeringsarts overwogen dat de verzekeringsarts terecht 20
september 1995 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft aangemerkt en
dat op basis van de aanwezige medische feiten er geen reden is om een
pas later ingetreden arbeidsongeschiktheid op basis van lichamelijke
klachten en burn-outklachten aan te nemen. De Raad is van oordeel dat
appellant er niet in is geslaagd twijfel te zaaien aan de juistheid van
de door de verzekeringsartsen aangenomen beperkingen.
Het standpunt van appellant dat zijn medische situatie per 26 december
2000 niet meer hetzelfde was als per 20 september 1995, wordt door de
Raad als tardief aangemerkt en om die reden buiten bespreking gelaten.
Bij dit oordeel heeft de Raad in aanmerking genomen dat met dit
standpunt geen sprake is van een nader onderbouwen van een eerder
ingenomen standpunt, maar van een standpunt dat radicaal anders is dan
het tot dan toe ingenomen standpunt, waardoor het Uwv niet in de
gelegenheid is geweest adequaat te reageren op dit eerst ter zitting in
hoger beroep kenbaar gemaakte standpunt. Het bovenstaande geldt in
gelijke mate voor de eerst ter zitting geformuleerde grief dat de
opmerking van de verzekeringsarts in de FML (bij rubriek I, aspect 9,
onderdeel 7) dat appellant in belangrijke mate zelf zijn werktempo moet
kunnen regelen, niet correct is vertaald naar het FIS.
Ten aanzien van de niet expliciet prijs gegeven grief dat sprake is van
een onvolledig medisch dossier en dat het Uwv relevante medische
informatie achterhoudt, overweegt de Raad dat hij appellant daarin niet
kan volgen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de
bezwaarverzekeringsarts de van de huisarts verkregen informatie (welke
informatie volgens de begeleidende brief van de huisarts inclusief alle
in zijn bezit zijnde correspondentie van de specialisten is) bij zijn
oordeel heeft betrokken. Niet valt in te zien dat de bevindingen van de
bezwaarverzekeringsarts en de conclusies die daaruit zijn getrokken
anders zouden hebben geluid indien rechtstreeks bij de medisch
specialisten informatie zou zijn opgevraagd. Indien appellant van mening
is dat de door de huisarts toegestuurde informatie onvolledig is, had
het op zijn weg gelegen om die informatie aan te vullen. Dat heeft hij
niet gedaan. Dat hij deze informatie wel heeft maar niet kan vinden,
zoals hij ter zitting in eerste aanleg heeft gesteld, komt naar het
oordeel van de Raad voor rekening en risico van appellant.
Van het achterhouden door het Uwv van relevante medische informatie - waarbij appellant met name het oog heeft op het in maart 2003 op verzoek
van het reïntegratiebureau Kuijper en Van Dreumel opgemaakte rapport
inzake zijn psychologische belastbaarheid - is de Raad niet gebleken.
Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dit rapport terecht niet
ingezonden toen de rechtbank vroeg om de op de zaak betrekking hebbende
stukken, nu de onderzoeken die aan dit rapport ten grondslag liggen
hebben plaatsgevonden in maart 2003 en waren gericht op de reïntegratie
van appellant in de toekomst, zodat niet gesproken kan worden van
relevante medische informatie voor de in dit geding van belang zijnde
datum 26 december 2000.
De grief met betrekking tot het maatmaninkomen is door het Uwv ter
zitting weersproken. Het Uwv heeft er daarbij op gewezen dat het feit
dat in de belastingaangifte over 1994 staat vermeld dat appellant tot 30
april van dat jaar in loondienst heeft gewerkt, geenszins uitsluit dat
hij al vóór die datum eveneens werkzaam kan zijn geweest als
zelfstandige. Appellant heeft desgevraagd aangegeven niet (meer) te
weten per welke datum hij zijn bedrijf heeft ingeschreven bij de Kamer
van Koophandel. Voorts heeft het Uwv gewezen op het door appellant
ingevulde vragenformulier ten behoeve van de arbeidsdeskundige, waarop
hij zelf heeft aangegeven dat hij vanaf 1 april 1994 werkzaam is geweest
als zelfstandig informatieanalist. Het Uwv heeft geconcludeerd dat het
inkomen over 1994 in bezwaar terecht is gedeeld door 9 in plaats van
abusievelijk 8 maanden. De Raad kan zich met dit betoog geheel
verenigen.
Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 1 juni 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
|
|