|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/3404
WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 april 2005, 04/1304
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 juni 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2007. Appellant
is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.
Steeman.
II. OVERWEGINGEN
Appellant die laatstelijk als zelfstandig bloemenhandelaar 60 uur per
week werkte, heeft in maart 2003 een aanvraag om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het Uwv ingediend. Na medisch en
arbeidskundig onderzoek is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag bepaald
op 1 april 2001 en het verlies aan verdiencapaciteit na de
voorgeschreven wachttijd van 52 weken op 41,42%. Dienovereenkomstig
heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2003 appellant met ingang van 31
maart 2002 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het
bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28
juni 2004 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank
heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat hij medisch
gezien niet in staat is de aan hem voorgehouden functies te vervullen.
De Raad overweegt als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval geen aanleiding
bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen
aangenomen beperkingen van appellant. Het medisch onderzoek is
zorgvuldig verlopen, de verzekeringsarts heeft informatie ingewonnen bij
de huisarts en met die informatie is rekening gehouden. En zoals de
rechtbank reeds heeft overwogen is voor de toepassing van artikel 2 van
de WAZ niet beslissend welke beperkingen een verzekerde stelt te
ondervinden, maar moeten die beperkingen een rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebrek. Appellant
heeft in beroep en ook in hoger beroep geen objectieve medische
informatie naar voren gebracht op grond waarvan kan worden getwijfeld
aan de juistheid van de rapportages van de verzekeringsartsen.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
overweegt de Raad dat in de bezwaarfase de bezwaararbeidsdeskundige van
de oorspronkelijk acht geselecteerde Sbc-codes vier Sbc-codes heeft
laten vervallen, deels vanwege een ontoelaatbare overschrijding ten
aanzien van werken met veelvuldige deadlines en productiepieken, deels
vanwege het feit dat de functies in de Sbc-codes op de datum in geding
geen of onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Het mediaanloon
van de drie hoogst verlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen,
levert een verlies aan verdiencapaciteit op van 40,0%, waarmee indeling
in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% correspondeert.
De Raad stelt vast dat voorzover sprake is van markeringen in de
uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies, deze
markeringen in afdoende mate zijn toegelicht in een arbeidskundig
rapport van 16 april 2007. De belasting in de aan de schatting ten
grondslag gelegde functies leidt dan ook niet tot overschrijding van de
belastbaarheid van appellant. Naar aanleiding van de opmerking van
appellant ter zitting dat hij niet meer voor een baas kan werken, gelet
op het feit dat hij 33 jaar als zelfstandige heeft gewerkt, merkt de
Raad op dat anders dan voorheen niet meer ter beoordeling staat of
geselecteerde functies wel in billijkheid kunnen worden opgedragen.
Overeenkomstig zijn inmiddels vaste jurisprudentie in
arbeidsongeschiktheidszaken waarbij toepassing is gegeven aan het
Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, een besluit in geding is dat vóór
1 juli 2005 is genomen en waar pas in de hogerberoepsfase een afdoende
toelichting op de geschiktheid voor de functies is gegeven, ziet de Raad
aanleiding het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te
vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit in stand blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in
stand blijven;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007.
(get.)
M.C. Bruning.
(get.)
J. Verrips.
|
|