|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/2058
WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 februari 2005,
04/260 WAZ (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 juni 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG-Nederland, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere medische stukken ingezonden, waarop van de
zijde van het Uwv is gereageerd met een rapport van de
bezwaarverzekeringsarts L. Zwemer van 7 mei 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007. Voor
appellant is verschenen zijn raadsman mr. Van Gestel. Tevens waren
aanwezig de echtgenote en dochter van appellant. Het Uwv heeft zich doen
vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Appellant, op dat moment werkzaam als zelfstandig pikeur/drafpaardentrainer,
is in januari 1990 uitgevallen als gevolg van een ongeval met een sulky.
De hem in verband hiermee toegekende uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is met ingang van
1 oktober 1995 ingetrokken, aangezien appellant minder dan 25%
arbeidsongeschikt werd geacht. Uit de beschikbare gegevens komt naar
voren dat hij niet langer - ten volle - geschikt werd geacht voor het
eigen werk, maar wel in staat werd geacht tot het in een voltijdse
omvang verrichten van verschillende loondienstfuncties. Tegen het
betreffende intrekkingsbesluit is geen rechtsmiddel aangewend.
Appellant is werkzaam gebleven in het eigen bedrijf, maar in een
aangepaste vorm. Hij is zich gaan toeleggen op administratieve en
controlerende taken, terwijl de arbeidsomvang is teruggebracht naar
circa 12 uur per week.
Op 23 januari 2003 heeft appellant wederom een WAZ-uitkering
aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven wegens chronische pijnen en
psychische klachten volledig arbeidsongeschikt te zijn. Uit de omtrent
appellant beschikbare medische gegevens komt naar voren dat bij hem in
1999 blaaskanker is geconstateerd, waaraan hij ook in dat jaar is
geopereerd en dat hem voorts op 26 oktober 2001 een ernstig auto-ongeval
is overkomen.
Bij besluit van 20 juni 2003 heeft het Uwv geweigerd om appellant met
ingang van 25 oktober 2002 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de
WAZ, daar hij geschikt werd geacht voor de eigen maatgevende arbeid.
Bij besluit van 22 september 2003 heeft het Uwv geweigerd om appellant
met ingang van 31 december 1999 in aanmerking te brengen voor een
uitkering ingevolge de WAZ, daar hij geschikt werd geacht voor de eigen
maatgevende arbeid.
Bij besluit van 8 januari 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het
Uwv de tegen de besluiten van 20 juni 2003 en 22 september 2003 gemaakte
bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de voor appellant op 31
december 1999 en 25 oktober 2002 geldende beperkingen juist zijn vastgesteld. De eigen
opvatting van appellant dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen
zijn onderschat, is niet aan de hand van een verklaring van een arts
onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het
standpunt dat appellant op beide data in geding geschikt was voor het
eigen werk.
Appellant houdt in hoger beroep staande dat zijn beperkingen aanzienlijk
zijn onderschat. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens appellant de
verzekeringsartsen van het Uwv gevolgd en geen onafhankelijk deskundige
geraadpleegd. Appellant heeft naar voren gebracht dat, nadat bij hem in
februari 1999 blaaskanker was geconstateerd, hij diverse operaties
gevolgd door intensieve behandelingen heeft ondergaan, waardoor hij in
de jaren daarna enorme psychische dreunen heeft opgelopen. Ook stelt hij
ernstige vermoeidheidsklachten te hebben overgehouden van genoemde
ziekte en de daarvoor ondergane behandeling. Appellant heeft hierbij een
beroep gedaan op de uitspraak van de Raad, gepubliceerd in RSV 2000/233.
Daarnaast heeft appellant gewezen op het hem in oktober 2001 overkomen
ernstige auto-ongeval, waarbij hij zijn rug heeft gebroken en vervolgens
een half jaar in een gipscorset heeft gelegen. Appellant verwijst in dit
verband naar een door de orthopedisch chirurg dr. R. Deutman in het kader van een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering opgesteld rapport.
Al met al is appellant de mening toegedaan dat hij, wegens de
restverschijnselen van zowel de doorgemaakte kanker als van het
verkeersongeval, ten onrechte in staat is geacht tot het verrichten van
de eigen werkzaamheden.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat tussen partijen niet in
geschil is dat de maatgevende arbeid van appellant wordt gevormd door de
eigen werkzaamheden zoals appellant deze in aangepaste vorm - bestaande
uit het voeren van de administratie van het bedrijf en het verrichten
van controlerende taken - alsmede in een aangepaste omvang van 12 uur
per week is gaan/blijven verrichten nadat een eerdere uitkering
ingevolge de WAZ met ingang van 1 oktober 1995 was ingetrokken.
Voorts overweegt de Raad dat hij, in navolging van de rechtbank,
appellant niet kan volgen in diens opvatting dat zijn beperkingen zijn
onderschat. Wat betreft de blaaskanker merkt de Raad op - onder
erkenning dat appellant een zeer ernstige ziekte heeft doorgemaakt en
aannemelijk is te achten dat deze ook na genezing nog zijn sporen bij
appellant heeft nagelaten - dat appellant er niet in geslaagd is aan de
hand van objectief-medische gegevens aannemelijk te maken dat hij ten
tijde hier van belang te kampen had met zodanige gevolgen - in de vorm
van extreme vermoeidheid en psychische problematiek als gesteld - dat
hij in het geheel niet belastbaar was met arbeid, althans aanzienlijk
minder belastbaar dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan. De
Raad merkt hierbij nog op dat, juist bij het ontbreken van verklaringen
van medici die appellant steunen in hetgeen hij stelt met betrekking tot
zijn vermoeidheidsklachten, de vergelijking met het in RSV 2000/233
berechte geval niet opgaat.
Ook wat betreft de ernstige rugklachten die appellant stelt te
ondervinden als gevolg van het meergenoemde verkeersongeval ontbreekt
een toereikende objectief-medische onderbouwing. Die onderbouwing is ook
niet te vinden in het rapport van de orthopedisch chirurg Deutman. Die
arts geeft, voor zover hier van belang, aan dat ten aanzien van
appellant sprake is van beperkingen met betrekking tot rugbelastende
activiteiten. Dat oordeel verschilt niet wezenlijk van dat van de
verzekeringsartsen van het Uwv, aangezien ook deze artsen zijn uitgegaan
van zekere beperkingen bij appellant ten aanzien van rugbelastende
activiteiten, maar het verrichten van rugsparende arbeid wel mogelijk
achten.
De Raad overweegt in dit verband ten slotte dat hij geen aanleiding
heeft de bezwaarverzekeringsarts Zwemer niet ook te volgen in diens
oordeel dat ook de overige in hoger beroep namens appellant ingezonden
medische rapporten en verklaringen geen medische feiten of
omstandigheden bevatten die nog niet zijn meegewogen.
Nu de Raad aldus tot het oordeel komt dat de beperkingen van appellant
juist zijn gewaardeerd, bestaat er geen aanleiding om, als van de zijde
van appellant verzocht, een onderzoek door een onafhankelijk deskundige
te gelasten.
Ten slotte is de Raad van oordeel dat appellant ten tijde hier van
belang terecht in staat is geacht tot het verrichten van de eigen
maatgevende arbeid. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat het
gaat om - in een beperkte omvang verrichte - niet fysieke en voldoende
rugsparend te achten werkzaamheden.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 22 juni 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|